Pioniersfase van levenscyclus (0 - 20 jaar) (1937 - 1957)

Mijn verkeerde keuzes

 

Hoofdstuk 3 Boek 1


Afkomst

Omdat de geschiedenis mede heeft bepaald wie je nu bent is het leerzaam te weten waar je voorouders vandaan zijn gekomen. Hiervoor gebruik ik het boekje dat door J.H. Midavaine te Veere is geschreven over de familie Midavaine, mijn grootmoeders familie van vaders kant. (Hieronder geen spel- of schrijffouten van mij, want ik heb dit overgenomen uit het boekje die ik later meld.)

Allereerst een brokje geschiedenis. In tal van West-Europese landen ontstond er in de zestiende eeuw verzet tegen het katholicisme. In Duitsland was het Luther en in Frankrijk de in 1509 in Noyon geboren Calvijn, die een nieuwe leer predikten. Beide stromingen verschilden nogal sterk van elkaar, het Lutheranisme kenmerkte zich door het vele zingen van liederen, die bijna tot volksliederen verheven werden, terwijl het Calvinisme zeer sober en dogmatisch was. Aanvankelijk werd de nieuwe leer in alle landen door de katholieke overheden verboden en stonden er strenge straffen op deze ketterij. In 1523 ging in Frankrijk al het eerste slachtoffer naar de brandstapel. Het zou in dit land tot 1577 duren, voordat er enige versoepeling optrad. In dat jaar werd het Edict van Poitiers uitgevaardigd, waarbij de hugenoten, zoals men hier de aanhangers van het nieuwe geloof noemde, enige rechten verwierven. Echte vrijheid van godsdienst kwam met het Edict van Nantes in 1598.

Het Edict van Nantes is de benaming van de verordeningen die op 13 en 20   april   en 2 mei 1598 door Koning Hendrik IV van Frankrijk werden uitgevaardigd. Deze vrijheid en betrekkelijke, ook politieke, onafhankelijkheid wekten verzet op bij de geestelijkheid, de parlementen, en vooral bij Richelieu en Lodewijk XIV. De eerste hief bij het Edict van Nimes (1629) de vrijsteden op, de laatste sloot zijn verschillende beperkings- en vervolgingsmaatregelen af met de volledige herroeping van het Edict van Nantes in het Edict van Fontainebleau (18 oktober 1685), met de voor Frankrijk zo rampzalige exodus van ongeveer 4.000.000 protestanten, waartoe de Midavaines behoorden. Zij wilden geen ‘ja’ tegen het katholicisme zeggen en moesten het vege lijf redden door te vluchten. Als landbouwers hebben zij de onderdrukking nog het langst weten vol te houden. In 1709 kwam de Nederlandse overheid met het besluit om ‘Alle de personen die uyt / Vrankrijck om de professie van de ware Gereformeerde Religie gevlucht zyn voortaen sullen worden erkent voor onze onderdanen ende ingeboorenen’. De Midavaines besloten naar het vrije Nederland te vluchten, om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Veel mee nemen was er over het algemeen niet bij. Meestal moest men overhaast de hoeve verlaten en werd de boerderij met alles erop en eraan door katholieken buren in bezit genomen.

 De oudste generaties

Omdat bij de brand in mei 1940, op het lidmatenboek na, alle gegevens van de Waalse kerk in Middelbiurg zijn verbrand, zijn we voor onderzoek naar de leden van dit kerkgenootschap aangewezen op de fiches van de Waalse Bibliotheek in Leiden. De fiches vermelden o.a. ongeveer 150.000 mutaties van doop, huwelijk en ov erlijden, voortkomende in de oude kerkregisters der Waalse gemeenten in Nederland. Deze gegevens hebben uitsluitend betrekking op personen, die als refugies (o.a. Hugenoten) bij de Waalse Gemeenten als lidmaat of dooplid waren ingeschreven.

Jean Midavaine was waarschijnlijk de eerste Midavaine, die zich in Holland vestigde. Op 3 oktober 1709 trouwde hij in de Waalse kerk te Leiden met de eveneens uit Frankrijk afkomstige Marie de la Rivière. 

Het jaar daarop woonden ze al in Middelburg, want op 16 maart 1710 werd in het lidmatenboek van de Waalse Kerk genoteerd, dat Marie de la Rivière zich met attestatie vanuit Leiden in Middelburg had gevestigd. In de periode 1711-1722 lieten ze zeven kinderen in de Waalse Kerk in Middelburg dopen: Maria (8 april 1711), Anna (18 juni 1713), Jacob (18 juni 1713), Jean Francois (17 februari 1715, Anna (19 april 1716), Pierre (15 mei 1718) en Pierre (25 november 1719.

 familie Midavaine

Op 2 mei 1717 deed Jean belijdenis en werd lidmaat van de Waalse kerk in Middelburg. Op 24 oktober 712 meldt het lidmatenboek van de Waalse Kerk in Middelburg, da Marie Jeanne Midavaine zich vanuit Tournai (Doornik in het Zuiden van België) in Middelburg had gevestigd. Zij is waarschijnlijk een oudere zus van Jean. Op 1 april 1714 lezen we, dat Michiel Midavaine zich in de Zeeuwse hoofdstad heeft gevestigd. Omdat hij eveneens uit Tournai kwam is hij vermoedelijk een jongere broer van Marie en Jean. Op 1 maart 1719 trouwde hij met Catharina le Roy die op 12 mei 1717 door geloofsbelijdenis lid van het Middelburgse kerkgenootschap was geworden en in de periode 1719 – 1733 lieten beiden acht kinderen in de Waalse kerk in Middelburg dopen: 

Abraham (7 februari 1720), Catharina (26 mei 1721), Isaac (11 april 1723), Isaac (27 augustus 1724), Marie (24 december 1727), Sara (6 maart 1729) en Isaac (28 februari 1731). Het feit, dat de Waalse kerk in Middelburg slechts een kleine aantekening gemaakt heeft van de huwelijken van Anna Midavaine met … Maertens in 1743 en van Catharina Midavaine met Abraham Wijbo in 1746, doet vermoeden, dat zij niet in deze kerk getrouwd zijn, maar in een Nederlands Hervormde kerk in Middelburg. Voor wat betreft het huwelijk van Catharina Midavaine met de eveneens van Franse afkomst zijnde Abraham Wijbo, is dat nauwelijks te geloven, omdat beiden in de Waalse kerk in Middelburg gedoopt en begraven zijn. Veeleer ligt het voor de hand, dat men slordig is geweest met het overbrengen van de gegevens naar Leiden. De eerste Midavaine, waarvan we met zekerheid weten, dat hij niet in de Waalse kerk trouwde, is Abraham, die zijn 2e huwelijk, op 20 mei 1754 met Pieternella Sibrandse, sloot in de Nederlands hervormde kerk van Sint Laurens. De laatste Midavaine, die in de Waalse kerk in Middelburg trouwde, was Jacob Midavaine, die op 1 mei 1757 in het huwelijk trad met Marie du Hem. Beiden lieten in de Waalse kerk in Middelburg 4 kinderen dopen: Jean (17 april 1758), Catherine (24 november 1762), Jean (5 mei 1765) en Marie Elisabeth (4 februari 1770?). Na deze tijd vinden alle huwelijken in een Nederlands Hervormde kerk plaats.

Slechts drie Midavaines hebben hun laatste rustplaats in de Waalse kerk in de Zeeuwse hoofdstad gevonden: Catharina Midavaine (begraven 11 oktober 1748 samen met haar kind), Maria Midavaine uit de Zandstraat (begraven 25 september 1761 en echtgenote van Nicolaas Stroots) en Jacob Midavaine (begraven 8 maart 1776, oud 43 jaar). De op 21 april 1805 overleden Catharina Midavaine werd begraven in de Oostkerk in Middelburg. Dat de Midavaines niet onbemiddeld waren blijkt wel uit hun bezit van verschillende hofsteden en woningen in en rond Middelburg.

Naamsoorsprong

Als Michiel op 7 februari 1720 trouwt met Catharina le Roy lezen we: Muy d’Avoine, doch deze komen we in de atlas niet tegen, mogelijk ook omdat het hier om een oude schrijfwijze gaat, of omdat het een zeer kleine plaats betreft. De schrijfwijze Muidavoine zou wel eens de oorspronkelijke originele Franse schrijfwijze kunnen zijn, zodat de betekenis vertaald in het Nederlands luidt: ‘grote hoeveelheid (mud)haver’, wat zeer toepasselijk is, omdat we weten, dat de Midavaines van oorsprong landbouwers waren. Na 1720 wordt de naam in de boeken van de Waalse Kerk te Middelburg steeds geschreven, zoals we hem nu kennen. Slechts één keer komt hierop nog een uitzondering als Catharina Midavaine op 7 maart 1792 trouwt met Abraham Kulderij schrijft men: Midavoine. Na de invoering van de burgerlijke stand komen we een enkele keer de schrijfwijze Medavaine tegen (het overlijden van Willemina Midavaine op 26 december 1824 te Aagtekerke en bij het huwelijk van Isaac Midavaine met Adriana Douleijn op 27 april 1813 te Gapinge. De oudst bewaarde handtekeningen zijn die van Isaac (1731 – 1804) Midavaine en broer Jacob (1733 – 1776). Zij staan op de rekening, die Pieter Marinissen gemaakt heeft na het overlijden van Catharina Midavaine (1751 – 1762), die bewaard wordt in het gemeentearchief. (Rekeningen van de Weeskamer van Brigdamme, inventaris Rechterlijk Archief Zeeland, nummer 923). Zij schreven hun naam zoals wij dat nu nog doen.

Herkomst

Onduidelijk blijft uit welke streek van Frankrijk de Midavaines afkomstig zijn. Bij hun komst in Nederland, in het begin van de achttiende eeuw, kwamen Jean en Marie Jean uit Doornik (Doornik in het zuiden van België), maar het is niet te achterhalen of ze aldoor in deze streek gewoond hebben, of dat ze na de herroeping van het edict van Tantes hierheen gevlucht zijn. Onderzoek in Tournai zou misschien hierover uitkomst kunnen bieden. Eveneens is niet bekend of ze de bui hebben zien aankomen en op tijd hun huizen en  boerderijen hebben verkocht, of dat ze hals over kop zijn gevlucht, zoals zo vele hugenoten hebben moeten doen. Wel is zeker, dat ze gezien de vele bezittingen, die ze in korte tijd in Zeeland verwierven, wel hun spaarcenten hebben meegenomen.

Voornamen

Veel voorkomende namen binnen de familie Midavaine zijn: Catharina, Jan, Isaac, Daniel en Abraham. Binnen de meeste gezinnen kwamen ze wel voor. Omdat de kinderen meestal genoemd werden naar één der ouders of grootouders, moeten we een paar honderd jaar terg in de tijd om hun oorsprong te vinden. Er kunnen echter uitzonderingen op de regel zijn. Het is mogelijk, dat een zelfde naam ook in de familie van de moeder voorkwam, zoals het geval was bij Daniel Midavaine (1903 -1976), die genoemd is naar zijn grootvader Daniel de Voogd. De naam Catharina kunnen we terug herleiden tot Catharina le Roy, die op 1 maart 1719 in de Waalse kerk in Middelburg in het huwelijk trad met Michiel Midavaine. Merkwaardig is, dat de naam Michiel na hem slechts nog maar éénmaal is voorgekomen, namelijk toen Abraham Midavaine en Adriaantje Jasperse van Houte hun eerste kindje naar hem noemden. Isaac, de naam, die wel het meest binnen de familie voorkwam, is vermoedelijk van een Isaac Midavaine, die in de 17e eeuw, of mogelijk nog eerder, in Frankrijk woonde. De naam komt in de Nederlandse tak voor het eerst voor, als Michiel Midavaine en Catharina le Roy hun derde kind de naam Isaac geven (gedoopt 11 april 1723 in de Waalse kerk in Middelburg). Nadat deze Isaac op jonge leeftijd was overleden, kreeg de volgende zoon ook deze naam (gedoopt op 27 augustus 1724 in de Waalse kerk te Middelburg). Deze overleed echter ook op zeer jonge leeftijd en de dan eerstvolgende geboren zoon werd ook weer Isaac genoemd (gedoopt op 28 februari 1731 in de Waalse kerk in Middelburg). Hij groeide voorspoedig op werd later de trotse eigenaar van de kapitale hofstede Zandvoort in Buttinge en vele van zijn nakomelingen zijn naar hem genoemd. Voor de naam Daniel moeten we terug naar het huwelijk van Abraham Midavaine en Pieternella Zwemer op 23 april 1791 in de Nederlands hervormde kerk in Koudekerke. Pieternella Zwemer was een rijke boerendochter van Daniel Zwemer en naar deze Daniel werden weer verschillende nakomelingen vernoemd. De naam Abraham kwam in Nederland voor het eerst voor, toen Michiel Midavaine en Catharina le Roy hun eerstgeboren zoon zo noemden, waarschijnlijk naar een naamgenoot in Frankrijk. Ook de naam Jaco kwam bij de oude generaties regelmatig voor en ook hier kunnen we veronderstellen, dat er in Frankrijk in de 17e eeuw Midavaines met dezelfde naam hebben rondgelopen. Tenslotte moeten we ook voor de naam Jan terug naar Frankrijk, waar de stamvader van alle nu nog in Zeeland wonende Midavaines woonde. Een zekere Jean Midavaine was de eerste uit dit geslacht, die in het begin van de 18e eeuw na de onderdrukking in zijn vaderland naar Nederland uitweek. Hij trouwde in Leiden met Marie la Riviére.

Onderwijs en beroepen

In de 18e eeuw konden alle leden van het geslacht Midavaine lezen en schrijven en ook hun kinderen werden naar school gestuurd. Het oudste bewijs hiervoor vinden we in de rekening, die opgemaakt is na het overlijden van de elfjarige Catharina Midavaine, de enig overgebleven dochter van Abraham Midavaine en Adriaantje Jasperse van Houte, die op 20 januari 1762 in Brigdamme is overleden. Op een post in de rekening wordt vermeld, dat de schoolmeester Krijn van de Broekke drie schellingen Vlaams wordt betaald. In hoeverre deze 18e eeuwse Midavaines onderricht in de Franse taal kregen, is niet te achterhalen. Op de dorpen was dit niet mogelijk, maar vele stadsscholen hadden een Franse onderwijzer in dienst. Op een enkele uitzondering na, hebben de kinderen van de Midavaines in de 19e eeuw ook onderricht genoten, doch het grootse gedeelte hiervan kwam niet verder dan (enkele klassen van) de lagere school. Omdat de kinderen van Izaak Midavaine (1791 – 1861) en Adriana Dourleijn (1787 – 1878) in plaats van hun handtekening een kruisje zetten, weten we, dat zij analfabeet waren, hetgeen niet zo verwonderlijk is, omdat Izaak maar een eenvoudige boerenknecht was. Het merendeel van de Midavaines in de 18e en 19e eeuw was werkzaam in de agrarische sector, hetzij als boer, hetzij als boerenknecht, afhankelijk van hun rijkdom. Ook een enkele maal kwam het beroep tuinman voor, zoals bij Isaac Midavaine (1843 – 1901), die tuinman werd in Eversdijk bij Kapelle. Uitzonderingen hierop vormen Jacob Midavaine (1733 – 1776), die “bakkersbaas’ in Middelburg was en zijn bakkerij had in de Zandstraat in deze plaats, Daniel Midavaine (1823 - 1838), die scheepsjongen was, Adriaan Midavaine (1804 – 1859), die samen met zijn vrouw Adriana de Hamer een herberg aan het Wagenplein (huisnummer Q 118) dreef en Marinus (1872 - ????), die goudsmid in Middelburg was. Verschillende dochters werden dienstmeid op een hofstede in de buurt. In de 20e eeuw komt hierin verandering en komen we de Midavaines in allerlei verschillende beroepen en opleidingsniveaus tegen.

Niet te plaatsen.

Zoals in iedere familie het geval is, blijven we ook bij de familie Midavaine met een aantal personen zitten, die niet in de genealogie te plaatsen zijn. Mogelijk zijn het geen familieleden, maar lijkt hun naam op die van ons. In de eerste plaats vinden we vermeld in het begraafboek van Oost-Souburg: Machiel Medoveins, overleden op 7 maart 1729. Verder betreft het de volgende personen, die in de Waalse kerk in Middelburg begraven zijn: 10 september 1759: Maria Midavina Maljert kint, Seysdam. 11 november 1768: Catherina Mevaine, Bree. Voorts is er nog Abraham Midavaine, die op 22 februari 1773 overleed en op 26 februari op het oude kerkhof in Middelburg is begraven. Hij woonde in de Zandstraat, dus is het zeker, dat hij tot onze tak behoorde. Vermoedelijk is hij het laatst geboren kind van Jaco Midavaine en Marie du Hem, doch we vinden van hem geen aantekening dat hij gedoopt is in de Waalse kerk.

Katje Midavaine

Catharina Midavaine (1751 – 1762) heeft in haar korte tijd heel veel verdriet en narigheid meegemaakt. Ze was in juli 1751 geboren als dochter van Abraham Midavaine en Adriaantje Jasperse van Houte en woonde in Brigdamme. Ze was het derde kind uit het huwelijk van Abraham en Adriaantje en genoemd naar haar grootmoeder Catharina le Roy. Op 27 juni 1751 werd ze in Sint Laurens gedoopt en haar oom Josua van Galen en haar tante Cornelia Pieterse van Houte waren doopgetuigen. Nadat Abraham Midavaine en Adriaantje Jasperse van Houte op 27 september 1747 in Middelburg waren getrouwd, gingen ze wonen in Brigdamme, waar Adriaantje geboren was. Eind februari 1749 kwam hun eerste spruit ter wereld, die op twee maart gedoopt werd in de hervormde kerk van Sint Laurens. Hij heette Michiel en was genoemd naar zijn grootvader Michiel Midavaine. Bij zijn doop waren zijn grootvader Jasper Pieterse van Houte en de vrouw van Michiel Midavaine, Catharina le Roy getuigen. Een jaar later, in juni 1750, werd Jasper geboren, genoemd naar zijn grootvader Jasper Pieterse van Houten. Op verzoek van zijn grootouders Midavaine werd hij in de Waalse kerk in Middelburg gedoopt. Beide kinderen waren al overleden toen Catharina het levenslicht zag. Op het eind van 1753 kreeg Katje er een broertje bij, Jacob, die op 17 december in Sint Laurens in de hervormde kerk werd gedoopt en genoemd was naar zijn ook Jacob Midavaine, die samen met zijn moeder Catharina le Roy doopgetuigen waren. Enkele weken later stierf haar moeder en ze werd op 12 januari 1753 in Sint Laurens begraven. Ook de kleine Jacob overleed op jonge leeftijd. Voor Abraham was het nu noodzaa om snel op zoek te gaan naar een nieuwe vrouw die voor Katje  kon zorgen.

Katje was bijna drie jaar oud, toen haar vader op 20 mei 1754 in Sint Laurens voor de tweede maal trouwde met Pieternella ‘siebrandse. Nu ze weer een (stief)moeder had, braken er voor haar een paar gelukkige jaren aan.

In januari 1756 kreeg ze er een zusje bij, die Johanna genoemd werd en op 1 februari in de hervormde kerk van Sint Laurens werd gedoopt. Doopgetuigen waren oom Isaac Midavaine en tante Francina Sibrandse. Datzelfde jaar echter overleed haar vader, die op 3 december 1756 op de begraafplaats naast de hervormde kerk in Sint Laurens begraven werd. Katje was inmiddels 5 jaar oud en het enig overgebleven kind van Abraham Midavaine, want de kleine Johanna was inmiddels ook reeds overleden. Nu ze alleen over was en gen vader en moeder, broertjes of zusjes meer had, zat ze vaak in een hoekje van de kamer te huilen en haar gezondheid ging achteruit. Haar stiefmoeder ging op zoek naar een nieuwe echtgenoot en op 11 april 1758 trouwde ze in Serooskerke met de timmerman Willem Ponse. Ze gingen wonen in het ouderlijk huis van Katje in Brigdamme. In het voorjaar van 1759 stierf haar lievelingsopa Jasper Pieterse van Houte. Van hem erfde ze drie percelen land in Brigdamme en Sint Laurens en een melkkoe. In het testament, dat opa kort voor zijn dood gemaakt had, had hij met een vroegtijdig overlijden van de ziekelijke Katje gehouden. Het geld dat zij van hem erfde was in zijn testament gelegateerd aan andere familieleden, als zij minderjarig zou komen te sterven. Intussen ging Katje naar school, waar ze les kreeg  van meester Krijn vaan den Broekke. Omdat ze zich vaak niet lekker voelde, lag ze soms hele dagen in bed. Op een gegeven ogenblik werd haar ziekte zo erg, dat haar stiefouders besloten, om haar over te brengen naar het gezin van Pieter Marinissen. Marinissen was een goede kennis van opa Pieterse van Houte en woonde met zijn vrouw op een boerderij in Brigdamme, waar ze Katje zouden verplegen. Voor de verhuizing moest Katje al haar spullen bij elkaar en in een grote kist pakken. Ze lagen in een zwarte ebbenhouten kast, die ze van haar moeder had geërfd en die ook mee naar oom Pieter ging. Voorzichtig pakte ze al haar dierbare spulletjes in: allereerst twee kerkboeken, één in het Frans en één in het Nederlands en één in het Nederlands. 

Ze kon ze nog niet lezen, maar ze waren zeer kostbaar voor haar, omdat ze afkomstig waren van haar ouders. Met een doekje poetste ze nog eens de mooie zilveren sloten op. Dan kwamen de sieraden van haar moeder: het snoer bloedkoralen, de parelspelden, een zilveren oorijzer met gouden stukken, een gouden ring, twee zilveren beukhaakjes, een zilveren tasbeugel met riem en beslag, een zilveren schaartje, dat samen met een naaldenkoker aan een zilveren ketting hing, een vingerhoed, een zilveren eau de la reyn doosje en tot slot twaalf trekmutsen, die zij later zou dragen. Bij het inpakken kreeg ze tranen in haar ogen en steeds moest ze aan haar moeder denken. Toen kwamen de spullen, die ze van haar vader geërfd had: zijn bombazijnen broek, de zilveren broekstukken, een paar zilveren schoengespen, een mes met een prachtig versierd zilveren heft, zelfs nog een heel oud heft van een mes, afkomstig van een verre voorvader, het mes zelf was al weggerot, maar het zilveren heft had de familie jaren lang bewaard, zijn broeksknopen en zijn zilveren hemdsknopen. Tot slot haar eigen spullen: een hemdje, een borstrok, een paar kousen, acht rokken, tien beukjes, een paar polsmouwtjes, vijf tip mutsen, enkele zakdoeken, drie paar beuklintjes met zilveren haakjes, een omslagdek, drie hoeden en een wollen deken. Ook aar kinderwagentje mocht mee naar oom Marinissen.

Van oom en tante Marinissen kreeg ze in de loop van de tijd een paar nieuwe schoenen, een paar muiltjes, drie paar kousen, een borstrok, enkele zakdoeken en een nieuwe jachtjapon, die oom en tante een ‘slaapmanteltje’ noemden. Dat Marinissen al deze kosten na haar overlijden in rekening zou brengen, heeft Katje gelukkig nooit geweten. Ook kochten ze regelmatig zoetekoek, speculaas en suiker voor haar. Hoewel ze liefdevol werd gepleegd, ging haar gezondheid toch hard achteruit. Verschillende malen moest dokter Lohman haar komen bezoeken. Ook dokter Servaas van de Copello is een paar keer bij haar geweest en de chirurgijn Pieter Ponse kwam haar regelmatig aderlaten, waardoor de koorts weer wat zakte en de pijn verhinderde. Bij apotheker Pluk liep de rekening inmiddels al aardig op. Katje had een grote familie en kreeg regelmatig bezoek. Vooral verheugde ze zich op de komst van oom Jacob, die in Middelburg in de Zandstraat een bakkerij bezat en alktijd wel een paar koekjes of snoepjes voor haar meebracht. Ook opa Michielo en zijn vrouw opoe Catharina kwamen regelmatig. Ze werden op z’n Frans grandmaman en grandpapa genoemd, maar spraken gelukkig al heel snel goed Hollands. Hoe langer hoe meer verzuimde ze de lessen van meester Krijn van de Broekke en de pijnen waren inmiddels zo toegenomen, dat oom Pieter en zijn vrouw regelmatig ’s nachts bij haar bed bleven zitten, om bij haar te waken. Zienderogen ging ze achteruit, totdat ze op 20 januari 1762 voorgoed haar ogen sloot. Pieter Marinissen sloot hierop de luiken van het woonhuis als teken van rouw. Zeven dagen lang zouden ze gesloten blijven. Aan de linkerzijde van de voordeur stapelde hij tien bossen stro, volglens het aloude gebruik, op. In dit stro werden groene takjes gestoken, ten teken dat hier een meisje gestorven was. Het zou blijven liggen, totdat Katje begraven was. Bij haar stiefvader, timmerman Willem Ponse, bestelde Marinissen een doodkist en hij kocht een nieuw laken om haar in af te leggen. Voor de maaltijd na de begrafenis werden kosten nog moeite gespaard. De rijkdom van de dis en het aantal uitgenodigde personen,bepaalden in die tijd het aanzien van de familie. Voor Katjes lijkmaal werden brood, aardappelen, salade, verse boter, een ham, een half vat bier, vlees en vleeswaren in huis gehaald, terwijl oom Jacob de koeken leverde. Voor de dragers werd er tabak en brandewijn gekocht. Op 25 januari werd Katje in Sint Laurens begraven. Pieter Marinissen had alles tot in de puntjes verzorgd en zou zich er daarna ook goed voor laten betalen. Voor het gebruik van zijn huis, het uitleggen van het stro, het sluiten van de luiken, maar ook bracht hij in rekening in uren, die hij en zijn vrouw bij Katje gewaakt hadden. Na de begrafenis maakte hij de rekening op. De sieraden van Katje en één van de twee kerkboeken verkocht hij in Middelburg aan een goud- en zilversmid 25:12:3 Vlaams op. Haar kleren, een wollen deken, een kinderwagentje, het andere kerkboek en de melkkoe werden op een koopdag in Brigdamme door de vendumeester Cornelis Zachariaszen verkocht en brachten 15:6:5 Vlaams op. Een pers ijzer en een bombazijnen broek, die op de koopdag niet verkocht werden, heeft haar oom Isaac Midavaine voor elf schellingen overgenomen. In haar spaarpot zat 2:2:10 Vlaams. Uit de boedel van haar ouders en haar grootouders had ze 20 gemeten, 26 roeden land in de Molenblok in Brigdamme, dat gepacht werd door Pieter Marinissen, 2 gemeten, 371/2 roeden land in de Jasper Huyssen blok in Sint Laurens, dat gepacht werd door Pieter Sijs, 4 gemeten, 105 roeden land in de Kerkenblok eveneens in Sint Laurens, dat gepacht werd door Jan Wouters en een melkkoe, die verhuurd was aan Jan Adriaansen. In het testament van opa Jasper Pieterse van Houte stond vermeld, dat Pieter Marinissen de eerste keus zou hebben als deze percelen grond na overlijden van Catharina Midavaine verkocht zouden moeten worden. Pieter kocht de percelen na taxatie voor 442:13:10 Vlaams. De totale opbrengst van Katjes bezittingen bedroeg 1298 Vlaams, de uitgaven 480:18:10 Vlaams, zodat dus een bedrag van 817:2:1 Vlaams onder de ooms en tantes te verdelen viel. De Midavaines kregen hiervan de helft, of te wel 408:ll Vlaams, de overige helft werd verdeeld onder de neven en nichten van moeders kant. Oom Isaac, oom Jaco en haar neefje Jacob Wijbo, de zoon van haar overleden tante Catharina Midavaine, die getrouwd was geweest met Abraham Wijbo, erfden ieder een derde deel, of te wel 136:3:8 Vlaams. De ebbenhouten zwarte kast werd getaxeerd op 5:10:- Vlaams en was door haar opa Jasper Pieterse van Houte gelegateerd aan Adriane Blaauwert, de zus van Cornelis Blaauwert, die getrouwd was met de zuster van haar moeder Cornelia van Houte. Ondanks haar grote rijkdom werd er geen grafzerk voor haar gemaakt en heeft ze anoniem rust gekregen tussen de andere doden uit Brigdamme en Sint Laurens.

Bezittingen

Omdat bij de brand van 10 mei 1940 het hele Middelburgse stadsarchief in vlammen is opgegaan, weten we niet zo veel over de bezittingen van de Midavaines in deze provinciehoofdstad.

De familieleden, die in het eerste kwart van deze eeuw in Middelburg kwamen te overlijden, werden begraven op het Begijnhof, zodat we kunnen aannemen, dat ze ook in deze buurt gehuisvest waren. Michiel Midavaine en zijn vrouw Catharina de Roy,van wie de nu nog in Zeeland wonende Midavaines afstammen, waren eigenaars van de hofstede Boomenburg met 4 gemeten, 60 roeden land, die gelegen was in de Haaiman even buiten de Vlissingse Poort. Michiel verkocht Boomenburg op 2 november 1745 voor £ 600 Vlaams aan de stad Middelburg, die de hofstede heeft laten ombouwen tot een pesthuis. Volgens de bewaarde archiefstukken van de gemeente Sint Laurens woonde deze Michiel Midavaine in 1741 “buyten het slijkpoortje’ en in 1751 en 1757 aan de Segeersweg in Middelburg. Op 9 december 1741 leende Michiel Midavaine een bedrag van vierhonderd Vlaamse ponden tegen een rente van 3 procent in het jaar aan Pieter de Munk uit Sint Laurens, die op 4 maart 1745 deze schuld afloste. De oudste zoon van Michiel Midavaine en  Catharina le Roy, Abraham, die op 7 februari 1720 in de Waalse kerk in Middelburg gedoopt was, vestigde zich, na zijn huwelijk op 27 september 1747 met Adriaantje Jasperse van Houte, in Brigdamme, waar Adriaantje geboren was. Waar is niet bekend, evenmin welk beroep Abraham uitoefende. Op 13 januari 1751 kochten Michiel Midavaine en de schoonvader van Abraham, Jasper Pieterse van Houte, 20 gemeten en 26 roeden weiland in de buurt van de molen in Sint Laurens. Na het overlijden van Abraham, eind november  1756, verkocht Michiel Midavaine zijn aandeel in de wei aan Jasper Pieterse van Houte. Na diens overlijden, in het voorjaar van 1759, kwam de wei in handen van de minderjarige Catharina Midavaine, het enig nagelaten kind van Abraham Midavaine en Adriaantje Jasperse van Houte. Na het overlijden van Catharina, op 20 januari 1762, werd het weiland gekocht door Pieter Marinissen, die er al een paar jaar pachter was. Op 12 januari 1762 verkocht Michiel Midavaine voor £ 110 Vlaams een huis op de Bree aan Johannes van Tienen. De oudste dochter van Michiel Midavaine en Catharina le Roy, Catharina (gedoopt op 26 mei 1721 in de Waalse kerk in Middelburg), trouwde in 1746 in Middelburg met Abraham Wijbo. Zij gingen wonen in de Korte Noordstraat in deze stad, waar in april 1747 Jacob geboren werd. Hij werd op 23 april 1747 in de Waalse kerk in Middelburg gedoopt. Een jaar later, in september 1748, werd Catharina geboren. Ze was genoemd naar haar grootmoeder Catharina le Roy en werd op 18 september gedoopt in de Waalse kerk in Middelburg. Moeder Catharina is korte tijd na de bevalling overleden en ook de kleine Catharina stierf in diezelfde week. Beiden werden op 11 oktober 1748 in de Waalse kerk in Middelburg begraven. Enkele jaren later is Abraham Wijbo opnieuw getrouwd, want op 19 december 1752 werd in de Waalse kerk in Middelburg Sara Maria Wijbo gedoopt en op 7 juli 1753 Maria Jozina. Beide kinderen hebben slechts kort geleefd, want op 25 juli 1755 werd Maria Jozina en op 25 maart 1757 werd Sara Maria in de Waalse kerk in Middelburg begraven. Hun vader was toen inmiddels ook overleden en 20 januari 1755 in de Waalse kerk begraven. Bij deze begrafenissen werd als adres opgegeven: Lange Noordstraat te Middelburg. Omdat de enig overgebleven zoon van Abraham Wijbo en Catharina Midavaine bij het overlijden  van zijn ouders nog minderjarig was, werden Isaac en Jacob Midavaine als voogden over hem aangesteld. Zoon Jacob erfde in 1762 £ 136:3:8 Vlaams van zijn nichtje Catharina Midavaine, maar omdat hij nog gen vijfentwintig jaar oud was en dus nog niet meerderjarig, heeft de weeskamer van Brigdamme dit geld voor hem belegd in obligaties van de provincie Zeeland. Nadat hij op 23 april 1772 vijfentwintig jaar oud was geworden, is hij samen met zijn voogden op 4 mei van dat jaar zijn bezit in Brigdamme komen ophalen. Jacob Wijbo is in juni 1778 overleden en hij werd op het oude kerkhof in Middelburg begraven. 

Marie Midavaine, het vijfde kind van Michiel Midavaine en Catharina le Roy (gedoopt op 24 december 1727 in de Waalse kerk in Middelburg, was in 1751 getrouwd met Nicolaas Stroots (Stroman). Bij het overlijden in september 1761 woonde ze in de Zandstraat. Ook de volgende neven en nichten van Michiel Midavaine werden vanuit de Zandstraat begraven: Anna Midavaine (begraven 25 januari 1751 op het oude kerkhof), Jan Midavaine (begraven 18 juli 1765 op het oude kerkhof) en Maria Midavaine (de zuster van Anna Midavaine, begraven op 13 september 174 op het oude kerkhof).

 De hofstede Konijnenburg

 Op 2 januari 1764 kochten Jan Wanjon en Isaac Midavaine de boerderij  Konijnenburg in Kleverskerke van Catharina la Croiz, weduwe van Jan Wijb. Isaac en Jan waren vrienden en woonden in Buttingen, waar Jan keurschepen was. Een jaar later kocht Isaac Midavaine de hofstede Zandvoort aan de Seisweg bij Middelburg, waar hij ging wonen. De boerderij Konijnenburg werd door hen verpacht. De rijke Middelburgse wijnkopersfamilie Wijbo was geen onbekende voor hen, want de oudste zuster van Isaac was in 1746 getrouwd met Abraham Wijbo. Beiden waren in 1764 reeds overleden. In 1783 werd Konijnenburg met zijn uitgestrekte landerijen gepacht door Jacobus de Jonge. Na het overlijden van Jan Wanjon (10 november 1797) nam Isaac Midavaine diens helft in het bezit van de hofstede over, voor de op 22 september 1783 bij notaris Jacob van de Kreke afgesproken prijs van £ 750 Vlaams. Hiervoor ging hij een lening aan bij “Mr. Jan Jacobs Macquet, eerste griffier van het college van Walcheren en Pieter Staats, keurschepen van stad Middelburg 

Ambagten, beyde wonende te Middelburg en Logier Boone, wonende aande zaagmolens ten eynde den oostelijk avendijk der gemelde stad’, tegen 4 procent rente per jaar.

Na het overlijden van Isaac Midavaine (16 februari 1804) ging de hofstede Konijnenburg over naar zijn zoon Willem. Van 17 januari 1805 tot circa 1811 was Willem Midavaine schepen in Kleverskerke. Op 25 juli 1805 kocht Willem van de in Arnemuiden wonende Joost Adriaanse 8 gemeten en 79 roeden land. Op dezelfde dag sloten Willem en zijn vrouw bij Mr. Galenus Dignus Steengracht een lening af ter grootte van acht honderd Vlaamse ponden, tegen een rente van 5 procent per jaar. Waarschijnlijk hebben ze hiermee hun pas gekochte land betaald. Willem Midavaine overleed op 17 februari 1827 en de hofstede kwam daarna in het bezit van zijn vrouw Susanna Dingemanse en zijn kinderen Johanna (en haar man Laurens Wisse) en Adriaan Midavaine.

Zandvoort

De op een na jongste zoon van Michiel Midavaine en Catharina le Roy (Isaac) was geboren in februari 1731. Op 28 februari werd hij gedoopt in de Waalse kerk in Middelburg. Hij trouwde op 7 april 1760 in Koudekerke met Leintje Hendriks, dochter van Willem Hendriks en Leijntje Pieters Back, gedoopt 5 juni 1729 in Oostkapelle.. Zij gingen wonen aan de Seisweg in Buttinge. Toen op 31 januari 1765 in het Wijnkopershuis in Middelburg door notaris P.M. de Lichte en makelaar Daniel van de Berge de hofstede Zandvoort met 41 gemeten, 109 roeden boomgaard bij opbod werd verkocht, bracht Isaac Midavaine het hoogste bod uit en werd de nieuwe eigenaar van deze hofstede aan de Seisweg bij Middelburg. De vorige eigenaren waren Mr. Johan Assuërius Schorer, ‘in leven ontfanger generaal deeser provincie etc. etc.’ en zijn vrouw Maria Johanna van de Putte. Uit het huwelijk van Isaac Midavaine en Leintje Hendriks werden in Buttinge drie kinderen geboren, te weten Catharina (ca. 1761), Willem (ca. 1763) en Abraham (29 januari 1764), waarvan de erste twee op jonge leeftijd zijn overleden. Na de dood van Leintje Hendriks (21 augustus 1766) gaf Isaac de hofstede Zandvoort als onderpand  voor de opvoeding van zijn drie minderjarige kinderen. Op 16 februari 1767 trouwde Isaac in Keverskerke met Wilhelmina Meulmeester, geboren te Kleverskerke op 9 april 1742 en aldaar gedoopt op 15 april 1742, dochter van Karel Meulmeester en Janna Baljé. Uit dit tweede huwelijk op de hofstede Zandvoort geboren: Willem (ca. 1770), Jacob (juni 1771) en Isaac (15 januari 1782). Isaac Midavaine kocht op 29 augustus 1768 drie gemeten 288 roeden weiland in Buttinge van Jan Joseph Naigre. Hij moest er 55 pond, 2 schellingen en 3 groten Vlaams voor betalen, of te wel 14 Vlaamse ponden per gemet. Op 1 februari 1781 kocht hij op een veiling in Brigdamme drie gemeten 196 roeden weiland in Buttinge voor de prijs van twee en dertig Vlaamse ponden per gemet en op 7 juni van datzelfde jaar kocht hij twee gemeten 45 roeden land in ‘den blok van Willebrords Adriaens’ in Buttinge van Cornelis Bastiaanse. Op 14 april 1785 kocht Isaac Midavaine in Middelburg 3 gemeten en 100 roeden weiland in Buttinge van Boudewijn de Ligte Taats, W.C. Ferlemans en dienst vrouw Johanna Susanna de Ligte Taats en H. Schortinghuizen. Op 25 augustus 1788 kocht hij wederom een stuk weiland van Cornelis Bastiaanse in Buttinge. Het lag in de ‘Zuydwest Schelling blok’ en was 280 roeden groot. In zijn laatst gemaakte testament (25 augustus 1803 voor notaris A.J. Sinclair uit Middelburg) bepaalde de zeer gefortuneerde Isaac Midavaine, dat de hofstede Zandvoort niet in handen mocht komen van zijn oudste zoon Abraham, die nogal grote schulden had gemaakt, doch dat zijn jongste drie zonen, te weten Willem, Jacob en Isaac, na overlijden om dit bezit zouden moeten loten.

 Na het overlijden van Isaac, op 16 februari 1804, werd Jacob de gelukkige bezitter van de hofstede Zandvoort. Deze Jacob Midavaine is van 1804 tot 1811 schepen in Buttinge geweest. Hij kocht op 25 oktober 1804 uit de boedel van de overleden Jan Joseph Naigre 8 gemeten en 26 roeden land in Buttinge, voor de prijs van 22 Vlaamse ponden per gemet. Op 3 maart 1808 kocht Jacob een huis met 1 gemet en 90 roeden land in Buttinge van Willem van Heulen, voor de prijs van acht honderd gulden en op 16 december van datzelfde jaar verkocht Jacob dit huis van Cornelis van de Putte voor zes honderd gulden. Na het overlijden van Jacob Midavaine, op 26 september 1831, kwam de boerderij Zandvoort in handen van zijn schoonzoon Jan Pouwer, die getrouwd was met zijn jongste dochter Adriana Midavaine. Pouwer was landbouwer en burgemeester van Grijpskerke. Bij de ingang van de hofstede zien we twee leeuwtjes, die ieder een wapenschild vasthouden. Het linker wapen is van Adriaan Willeboord de Jonge, waar moeder van was Hendrikje Jacobsdochter van Grijpskerke en rechts zien we het wapen van Maria Lampsins. Adriaan en zijn vrouw Maria waren rond 1650 eigenaren van deze hofstede.

 De Hofstede aan de Breeweg. 

 

 

 

 

 

 

 

 

   


Op 27 december 1798 werd in Middelburg door notaris Johannes Knierem ‘openbaar en met den de hofstede’ van Abraham Midavaine en zijn vrouw Pieternella Zwemer geveild. Deze hofstede ‘met desselfs huijsinge, schuure, stallinge,  backete en verdere opstal, gevolgen en toebehoren van dien, met de nombre van 49 gemeten 35 roeden, zoo schotbaar als haaymanlanden’, was gelegen aan de Breeweg nabij de stad Middelburg.

Omdat er van voor deze periode geen stukken bewaard zijn gebleven, is het niet meer te achterhalen hoe de hofstede in hun bezit is gekomen. Uit de aanwezige archiefstukken weten we, dat het om een gedwongen verkoop ging. De joodse koopman Mozes Levi uit Middelburg had in 1798 een proces tegen beide echtelieden aangespannen vanwege een wisselbrief. Abraham Midavaine en Pieternella Zwemer waren hem fl. 2.250 schuldig en gingen niet over tot betaling, waarop schout en schepenen van Koudekerke na een aantal zittingen hen gelasten de hofstede te verkopen. Abraham Midavaine was het enige overgebleven kind uit het eerste huwelijk van Isaac Midavaine en Leintje Hendriks, die op de hofstede Zandvoort aan de Seisweg bij Middelburg woonden. Volgens een register van het Gasthuis in Middelburg was hij geboren op 29 januari 1764. Op 23 april 1791 trouwde hij in Koudekerke met Pieternella Danielse Zwemer. Uit dit huwelijk werden in Koudekerke in de periode 1791 tot 1797 vier kinderen geboren, te weten: Izaak (geboren 11 december 1791, Daniel (geboren 17 januari 1793 en overleden op 24 januari 1793), Leijntje (geboren 21 oktober 1796) en Daniel (geboren 3 december 1797). Bij de verkoop van de boerderij werd bepaald, dat Abraham en zijn vrouw nog een paar maanden gebruik mochten maken van de ‘keuken, den hijsingen en de solder booven dezelve, waar in den teegenswoordigen eigenaaar met zijn huijsgezin zal vermoogen te blijven inwoonen tot primo Meij, terwijl de teegenswoordigen bewoonder der hofsteede meede tot Mey aanstaande van den oven tot bakking van brood een ordentlijk gebruijk zal moogen maaken blijvende’. Eigenaars werden Bartel Blok e Johannes Verwoerd tegen een prijs van £ 44 Vlaams per gemet. Abraham Midavaine en Pieternella Zwemer bleven hierna nog met grote schulden zitten, want op 15 februari 1799 sloten ze bij hun vader, respectievelijk schoonvader, een lening af ter grootte van £ 1160:3:5 Vlaams. Deze grote schulden en het geleende bedrag zullen de reden geweest zijn, dat vader Isaac Midavaine op 25 augustus 1803 zijn testament wijzigde en vast liet leggen, dat Abraham niet in aanmerking kwam om zijn hofstede Zandvoort te erven. Toen Abraham in het begin van de 19e eeuw opgenomen  moest worden in het Gasthuis te Middelburg was hij inmiddels zo arm, dat het armbestuur zijn verpleging heeft moeten betalen. Pieternella Zwemer is overleden op 23 mei 1823 in Buttinge en Abraham Midavaine op 13 februari 1837 in Middelburg.

De bakkerij in de Zandstraat

 Jacob Midavaine (1722 – 1776), de jongste zoon van Michiel Midavaine en Catharina le Roy, trouwde op 1 mei 1757 in de Waalse kerk in Middelburg met Marie du Hem. Jacob was bakker en het stel ging wonen aan de Zandstraat te Middelburg. Op 26 januari 1763 kocht Jacob er nog een huis bij in de Zandstraat. Het was van Adriaan Koppejan en hij moest er 300 Vlaams voor betalen. Uit hun huwelijk werden vier kinderen geboren, waarvan er drie op jonge leeftijd zijn overleden. Alleen Catharina bleef over. Zij trouwde op 28 september 1784 in Middelburg met Daniel de Wolf, trouwde na zijn overlijden op 7 maart 1792 in Middelburg met Abraham de Kulderie en trouwde voor de derde maal na het overlijden van haar tweede echtgenoot op 1 april 1801 met Hendrik Johan Franke. Catharina bezat in 1796 drie huizen in Middelburg: haar ouderlijk huis aan de zuidzijde van de Zandstraat, huisnummer 169 en twee huizen aan de oostzijde van de Koninkstraat, huisnummers 50 en 51, waar ze naar alle waarschijnlijkheid zelf woonde. De welgestelde Catharina leende op 16 oktober 1799 driehonderd Vlaamse ponden aan Willem de Klerk en zijn vrouw Laurina Vink uit Oostkapelle en op 1 februari 1802 een gelijksoortig bedrag aan Jan Ingelse en zijn vrouw Maria de Klerk, eveneens uit Oostkapelle. Aannemelijk is, dat ze ook in Middelburggeld uitgeleend heeft, maar omdat het archief van deze stad op 10 mei 1940 in vlammen is opgegaan, valt dit niet meer te achterhalen. Na haar overlijden, op 21 april 1805, werd Catharina Midavaine in de Oostkerk in Middelburg begraven.

Scheepsjongen Bram

 Het verhaal van de Midavaines in de 18e en 19e eeuw is er een van stoere landarbeiders, boeren, die met hun beide benen op de grond stonden. Het ware harde werkers, die voor dag en dauw al in de weer waren op hun akkertjes. Uitzondering hierop was Abraham (1823 – 1838), de oudste zoon van Daniel Midavaine en Maatje Jongepier en kleinzoon van Abraham Midavaine en Pieternella Zwemer, geboren op 13 juni 1823 in Grijpskerke. Net als Michiel de Ruyter een dikke honderd jaar daarvoor had gedaan, wilde Bram ook iets anders dan met paarden en de ploeg het land bewerken. Ook hij droomde ervan om naar zee te gaan. We zien hem al op vrij jonge leeftijd, vermoedelijk 9 of 10 jaar naar de grote stad Middelburg gaan, om aan te monsteren op een van de schepen, die naar ë vertrokken. Uiteindelijk werd hij door de reders Van de Broecke, Luteyn en Schouten aangenomen en kon hij zijn zeemansloopbaan als scheepsjongen beginnen. Toen deze rederij in het jaar 1837 in Middelburg een gloednieuw schip liet bouwen, probeerde Daniel een plaatsje op dit schip te bemachtigen, hetgeen hem gelukte. Het droeg de toepasselijke naam ‘De Zeeuw’.Op 18 april 1837 zeilde ‘De Zeeuw’, onder aanvoering van kapitein Bos, vol trots de haven van Middelburg uit voor zijn eerste reis naar ë. Na een voorspoedige reis kwam het schip in november 1837 in Batavia aan. Hier werd het geladen met goederen voor de Nederlandsche Handel-Maatschappij en op 29 november werd de terugtocht aanvaard. Behalve de lading waren aan boord van het schip vier passagiers: mevrouw Schuurman en haar drie kinderen. Ook de terugreis verliep zonder problemen en op donderdag1838 kwam ‘De Zeeuw’ aan bij de Zeeuwse wateren, waar gewacht moest worden op een loods. Toen deze op zondag 8 april nog steeds niet was komen opdagen, raakte het schip te dicht bij de wal e verspeelde zijn roer. Hierop besloot de kapitein een anker in volle zee uit te gooien. Bij het vallen van de vloed begon het schip door de hoge golven te stoten en enige tijd later kwam het vast te zitten op de gevreesde zandplaat De Bajaard. Om vier uur ’s middags raakte de toestand zo gevaarlijk, dat men besloot om het schip te verlaten. In de grote sloep, een zgn, barkas, namen 19 bemanningsleden plaats, Zij bereikten als eersten, zo rond de klok van 9 uur ’s avonds, de kust van Schouwen. De vier passagiers werden in een gewone sloep ondergebracht. Een hele nacht lang hebben ze in de branding omgedoold en grote gevaren doorstaan, totdat ze andere morgen om 6 uur door een vaartuig werden gesignaleerd en aan boord genomen. Veilig werden ze daarna in Zierikzee aan land gezet, vanwaar ze de tocht naar Middelburg konden vervolgen. Tot slot werden de overige bemanningsleden samen met een Engelse loods en scheepsjongen Bram ondergebracht in een kleine sloep, een zgn. giek. Ook zij hebben een hele nacht op de woeste zee doorgebracht  en kwamen pas de andere dag in Burghsluis aan. Hier bleek dat de Engelse loods en de scheepsjongen Bram door de vermoeienissen waren bezweken. Het lijk van de 14-jarige Bram Midavaine werd vanuit Burgh naar Grijpskerke overgebracht, waar hij op de 18e april 1838 op de algemene begraafplaats werd begraven. Zowel het schip, als de lading, bleken geheel verloren te zijn.

Tweelingen en een drieling

De eerste tweeling, die in Zeeland geboren werd, kwam ter wereld bij Jean Midavaine (overleden 16 januari 1759) en zijn vrouw Marie la Rivière. Beide kinderen, Anna en Jacob, werden op 18 juni 1713 in de Waalse kerk in Middelburg gedoopt. Ze hebben slechts kort geleefd, want Jacob is reeds op 11 december 1713 overleden en Anna op 18 juni 1715. Beiden zijn begraven op het Begijnhof in Middelburg. In 1806 kregen Isaac Midavaine (1782 – 1856) en zijn vrouw Adriana Vlieger (1774 –1824) een tweeling, twee meisjes, Wilhelmina en Susanna. Zij kwamen op 3 oktober ter wereld en zijn op 12 oktober in de Nederduits Hervormde Kerk in Middelbrg gedoopt. In 1881 kwam er weer een tweeling, toen op 26 augustus bij Daniel Midavaine (1852 – 1940) en Wilhelmina Schietekatte (1850 – 1908) Cornelis en Adriana geboren werden. De oudst e broer van Cornelis en Adriana, AdriaanMdavaine (1875 – 1953), trouwde op 10 mei 1905 in Ritthem met Johanna Pieternella Barentsen (1871 – 1936) en nog geen twee maanden na hun huwelijk kregen ze een drieling. Helaas kwam een kindje dood ter wereld , terwijl de andere twee, Pieternella en Wilhelmina, slechts enkele dagen hebben geleefd. Het werkwaardige feit doet zich voor, dat deze drieling op drie verschillende dagen is geboren. In het register van overlijden van de stad Middelburg staat achtereenvolgens genoteerd, dat er op 5 juli 1905 ’s morgens om half 12, oud drie dagen en dat Wilhelmina is overleden op 7 juli 1905, ’s-Middags om half 4, oud 4 dagen. Hoewel de geboorteakten nog niet openbaar zijn, wordt dit ook bevestigd door het bevolkingsregister van de Gemeente Middelburg, waar staat, dat Willemina is geboren op 3 juli 1905 en Pieternella op 4 juli 1905

 Een dubbele bruiloft

Een dubbele trouwerij op één en dezelfde dag deed zich voor op 25 oktober 1852 in Middelburg, toen twee dochters van Cornelis Midavaine (1805 – 1875) en Catharina Willemse (1797 – 1882) in het huwelijk traden. Nog bijzonder wordt het, als ik u vertel dat de beide zusjes trouwden met twee broers. Wilhelmina (1830 – 1920) trouwde met Cornelis Reynierse en Dina (1833 – 1884), die we hierna nog tegen zullen komen in  het verhaal van Wilhelmina Wattel, trouwde op dezelfde dag met Willem Reynierse.

 Twee achternamen

Op april  1875 werd in Vrouwenpolder Adriaan geboren. Hij heeft twee achternamen gehad, eerst die van zijn moeder en later die van zijn vader. In de warme zomer van het jaar 1874 had Willemina Schietekatte, naaister van beroep, liggen rollebollen met haar vriendje. Omdat ze niet goed opgepast had, diende het resultaat zich 9 maanden later aan. De bevalling vond plaats bij Adriaan Stroo, die 57 jaar oud en tuinman in Vrouwenpolder was. Samen met broer Cornelis Schietekatte en de koetsier Johannes Schout deed Adriaan op drie april aangifte van de geboorte van Adriaan op het stadhuis van Vrouwenpolder. Omdat de vijfentwintig jaar oude Pieternella Schietekatte op dat moment niet getrouwd was, werd Adriaan in het bevolkingsregister geregistreerd onder de naam Adriaan Schietekatte. Pas bij de huwelijksvoltrekking tussen Daniel en Wilhelmina, op 13 oktober van datzelfde jaar,  is het kind erkend geworden als zijnde van Daniel en Wilhelmina en werd zijn achternaam veranderd in Midavaine. Dat Adriaan een echte Midavaine is, blijkt als we zijn foto’s vergelijken met die van andere Midavaines.

Buurman Snijders

Op de Kaai in Veere woonde Catharina Midavaine. Ze was in 1869 getrouwd met uit Westkapelle afkomstige Pieter Hendrikse. In het huisje ernaast woonde de rentenier C.H. Snijders. Deze 66-jarige Middelburger was na het overlijden van zijn vrouw naar  Veere verhuisd en leidde daar een teruggetrokken leven. Omdat het in Veere bekend was, dat hij nogal een lieve cent zou bezitten, had hij de gewoonte om, als het donker was geworden. Zijn voordeur niet meer te openen. Daarom hij hij met buurvrouw Catharina de afspraak gemaakt, dat zij de krant in ontvangst zou nemen, als deze na het invallen van de duisternis bezorgd zou worden. De volgende morgen vroeg overhandigde ze hem die dan over de muur, die de tuinen van elkaar scheidde. Omdat deze muur twee meter hoog was, had Catharina een laddertje in de tuin tegen de muur staan. Ook hadden ze afgesproken, dat als er onraad was, hij maar op de muur in zijn gang. Die aan haar woonkamer grensde, moest bonken. Op zondagmorgen 2 oktober 1881, om half acht, op de gebruikelijke wijze hem de krant overhandigd. Zoals ze later zou zeggen, viel het haar op, dat meneer Snijders nogal ‘gejogen’ was. Toen ze hem op maandagmorgen weer de krant wilde aanreiken, bleef haar geroep onbeantwoord. Na het een paar maal die geprobeerd te hebben, raakte ze ongerust en herinnerde ze zich, dat ze zondagmiddag, zo rond de klok van half vier, een slag of stomp op de muur had gehoord. Toen ze ’s avonds nog niets van hun buurman hadden vernomen, heeft haar man de politie hiervan in kennis gesteld. Nog diezelfde avond hebben de burgemeester, Hendrikse, de gemeenteartsen politieagent Van Duinen zich naar het huisje van de heer Snijders begeven, om een onderzoek in te stellen. Het poortje, dat uitkwam in de Kwartierstraat, bleek niet op de grendel te zitten. Maar omdat de hefboom, de zgn. lichter, ontbrak, konden ze het niet van buiten af open krijgen. Met wat gereedschap had men het echter al vrij snel open en kon men het huis via de niet afgesloten achterdeur binnen gaan. Wat men daar aantrof is haast niet te beschrijven. Dwars in de gang, met het hoofd tegen de scheidingsmuur en de voeten in de suite geschoven, lag, in een grote plas bloed, het lijk van de heer Snijders. Tegen zijn rug, die gedeeltelijk verbrand was, lag een doosje lucifers en naast het lijk lag een broodmes van het slachtoffer. Omdat het te donker geworden was om nog verder onderzoek te doen, werd besloten, om de justitie in Middelburg van de lugubere vondst in kennis te stellen en het lijk intussen door twee politieagenten te laten bewaken. Toen men de volgende dag een nader onderzoek instelde, bleek, dat op de tafel in de benedenkamer, die net als het hele benedenhuis met bloed bevlekt was, een lege bierfles en een glas stonden. In de keuken vond men op tafel een bordje met gekookte aardappelen, waarschijnlijk het middagmaal van de heer Snijders. Een gouden horloge, dat op een standaard op de tafel hoorde te staan, was verdwenen, allen het sleuteltje hing nog op zijn plaats. Ook bleek de gouden bril met blauwe glazen van het slachtoffer te zijn verdwenen. Aan de sleutel van een leeg lepeldoosje zat eveneens bloed. Op de bovenverdieping trof men, op het bed van meneer Snijders, zijn doodshemd aan, waardoor men nog een ogenblik aan zelfmoord dacht, doch navraag leerde, dat het slachtoffer de eigenaardige gewoonte had, dit altijd bij zich in de buurt te hebben. In een kist in de slaapkamer lag nog wat linnengoed, dat met bloed bevlekt was en men vond daar een Russisch effect, dat in papier was gewikkeld, waarop eveneens bloed werd aangetroffen. Op 19 november 1881 werd in Antwerpen de Veerse banketbakkersknecht Louis Roland gearresteerd op verdenking van het plegen van de moord op meneer Snijders. Roland was op de dag van de moord in Veere vertrokken, naar zijn zeggen, omdat hij een betrekking als bakkersknecht in Bergen op Zoom had aanvaard. Merkwaardig was, dat hij diezelfde avond bij kennissen in Middelburg aanklopte, om zijn daar achtergelaten bagage op te halen en hij een flinke verwonding aan zijn hand had, terwijl zijn kleren onder de bloedvlekken zaten. Als oorzaak gaf hij op, dat hij zich die middag verwond had bij het snijden van een stok. Vanuit Antwerpen werd Roland overgebracht naar de gevangenis in Middelburg. Nadat6 de Middelburgse rechtbank alle getuigen had gehoord werd hij, bij bevelschrift van 24 april 1882, verwezen naar de procureur-generaal bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Op 12 mei werd AARoland, zwaar geboeid en onder bewaking van 2 rijksveldwachters, per trein overgebracht naar Den Haag,waar hij 9 en 10 augustus 1882 het proces tegen hem plaatsvond. Ook Catharina Midavaine en haar man Pieter Hendrikse moesten naar Den Haag om te getuigen. Waarschijnlijk was dit de eerste keer van haar leven, dat Catharina het eiland Walcheren verliet. Intussen had de Antwerpse politie bij horlogemaker Oscar Beels beslag gelegd op een groot gouden horloge, dat hij op 5 december 1881 voor 125 frank gekocht had van een Hollander, die hetzelfde postuur had als Roland, één van zijn handen in een doek gewikkeld en zich Strooiman noemde. Omdat de justitie geen sluitend bewijs tegen Louis Roland kon vinden en hij zelf hardnekkig bleef ontkennen iets met de moord te maken te hebben,werd hij op 17 augustus 1882 door het Gerechtshof vrijgesproken. Ook in de jaren daarna is de dader niet gevonden en deze moord is tot op de dag van vandaag onopgelost gebleven.

Het familiewapen

In het boek ‘Van hoepelrok en pruikentooi’, waarin op pagina 191 het verhaal voorkomt van ene ‘Heer Gillis Midavaine’ geschreven door Hendrika Kuyper-van Oordt, die in de 18e eeuw in een Utrechtse provinciestad gewoond zou hebben en wiens geslacht in de mannelijke lijn in de 20e eeuw reeds is uitgestorven, is er sprake van een familiewapen, waarin muurijzers zouden voorkomen. Gezien het feit, dat de naam Gillis in Zeeland in de 18e eeuw niet voorkomt, gaan we er van uit, dat dit verhaal o[p fantasie berust. Naspeuringen naar een mogelijk wapen hebben tot nu toe nog geen resultaat opgeleverd. Wel is zeker, dat de Midavaines, die in de Waalse kerk in Middelburg zijn begraven, niet hun wapen, als ze dit hadden, door de nabestaanden in deze kerk hebben laten ophangen.

Het geheim van Wilhelmina Wattel

Op een hofstede aan de Nieuwlandseweg onder Middelburg woonden Willem Reynierse en zijn vrouw Dina Midavaine. Ze waren op 25 oktober 1852 te Middelburg getrouwd en hadden in 1868, het jaar, waarin dit verhaal zich afspeelt, twee dienstboden: de 18-jarige Johanna Hendrikse en de 23-jarige Wilhelmina Wattel uit Brigdamme. Zoals gebruikelijk was in die dagen woonden beide meisjes bij hen in huis. Op Anne Liesjesdag (1 oktober) 1867, de dag waarop het personeel van werkgever veranderde, was Wilhelmina Wattel door Willem en Dina aangenomen. Wilhelmina had toen een geheim dat ze niet aan haar nieuwe werkgevers had verteld. Voor ze bij hen in dienst trad, werkte ze bij Joost Langebeeke en alleen zij en zijn vrouw kenden haar geheim. Wilhelmina bleek een harde werkster te zijn en Willem en Dina waren dan ook erg tevreden over haar. Dit duurde echter maar een half jaartje, want op 22 april 1868 gebeurde er iets, dan een abrupt einde aan haar dienstverband zou maken en het grote geheim zou uitlekken. Op die bewuste dag had Wilhelmina ’s morgens pijn in haar buik. Ze sprak er met niemand over en deed normaal haar werk. Ze heeft de koeien gemolken en de zware emmers met melk aan een juk naar de boerderij gedragen. ’s Avonds om zeven uur was ze moe en ging een poosje op bed liggen. Om negen uur ging ze naar Dina Midavaine en vertelde haar, dat ze last had van een hevige pijn in haar buik en dat ze het benauwd had. Dina bood toen aan, om bij haar te blijven slapen, maar dat wilde Wilhelmina niet. Ze zei, dat ze vroeger wel vaker last had gehad van buikpijn en dat dat vanzelf weer overging. Op de vraag van Dina , of ze een dokter moest halen, antwoordde ze, dat die  haar toch ook iet van de pijn zou kunnen afhelpen. Dina ging hierop naar bed, zonder te weten, wat er zich die nacht bij hen op de boerderij zou afspelen. Om twee uur werd ze wakker gemaakt door Johanna Hendrikse, die zei, dat Wilhelmina vroeg of ze naar beneden wilde komen. Voor de deur van de wc trof ze Wilhelmina aan, die klaagde over vermoeidheid. Dina Midavaine heeft hierop haar man gewaarschuwd en samen besloten ze, dat Willem haar direct naar haar ouderlijke woning in Brigdamme moest brengen, wat ook is gebeurd. Toen de volgende morgen Dina Midavaine op de boerderij aan het werk was, merkte ze plotseling, dat de grond bij een ton, die op het erf achter het wc-hokje stond losgewoeld was. Dina kreeg een vermoeden, dat daar wel eens iets verstopt zou kunnen zijn en onder het middageten vertelde ze dit aan haar man. Om 1 uur besloten beiden om een onderzoek in te stellen. Gewapend met een schop gingen ze het erf op en liepen naar de bewuste ton. Ze zetten hem opzij en na een paar steken in het losse zand deden ze een gruwelijke ontdekking. Daar lag het ontzielde lichaampje van een pasgeboren baby. Nadat ze enigszins van de schrik bekomen waren, hebben ze de ton weer op zijn plaats teruggezet en alles gelaten in de toestand, waarin ze het gevonden hadden, om vervolgens aangifte te doen bij de commissaris van politie in Middelburg. Onmiddellijk zijn de dienaren van de wet op het erf een onderzoek gaan instellen. Het lijkje, dat van een psas geboren jongetje bleek te zijn, hebben ze meegenomen en laten onzerzoeken door dokter Keyzer en de dokter  de Man. Intussen hadden de politieagenten ook al een bezoekje gebracht bij Wilhelmina Wattel, maar die was nu zo ziek, dat ze eerst door een dokter behandeld moest worden, voordat ze aan de tand gevoeld kon worden. Tijdens het verhoor, een paar dagen later, vertelde Wilhelmina, dat ze wist, dat ze zwanger was, maar ze dacht, dat het nog wel een tijdje zou duren, voordat ze zou bevallen. Die nacht was ze uit bed gekomen en was bij de haard gaan zitten. Twee maal was ze naar de wc geweest en de tweede keer werd het kind geboren. Haar collega Johanna Hendrikse was er bij en heeft nog met een lantaarn bijgelicht. Toen het kindje eenmaal geboren wa en zonde4r zich te verroeren, op de planken vloer van het wc-hokje lag, vroeg Wilhelmina: “Janna wat zullen we ermee doen?”Haar collega wist niet veel meer te zeggen dan: “Ik weet het niet’. Hierna is Wilhelmina naar de stal gegaan en heeft daar een schop gehaald. Een ton, die achter het wc-hokje stond, heeft ze opzij gezet om een kuiltje te graven. Daarna heeft ze het kindje van de vloer opgepakt en in het kuiltje gelegd. Ndat zer het kuiltje met zand had dichtgegooid, heet ze de ton weer op zijn plaats teruggezet. Johanna heeft haar hierbij geholpen. Beiden dachten, dat het kindje doodwas, omdat het noch bewoog, noch geluid maakte. Op 5 september 1868 moest Wilhelmina voor de rechter verschijnen en op 12 september werd ze door de rechtbank schuldig verklaard aan: “doodslag, onwillig veroorzaakt door achteloosheid en verzuim van voorzorg en veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en een geldboete van vijfentwintig gulden, alsmede in de kosten van het geding. 

Voor het gerecht

In bijna alle families komt het wel voor, dat er leden voor het groene hekje hebben moeten staan, omdat ze iets op hun kerfstok hadden. Ook bij de Midavaines waren er bij die geen lieverdjes waren alhoewel wij in grote lijnen kunnen stellen, dat ze weinig met justitie in aanraking zijn geweest en als dat het geval was, dan ging het om kleine vergrijpen.

De eerste die we in de boeken van Vrouwe Junstitia tegenkomen, is Izaak Midavaine, geboren op 26 september 1839 te Oostkapelle, zoon van Jan Midavaine en Maatje Jobs en van beroep landbouwersknecht. Hij liep op 26 februari 1861 als 21-jarige dronken rond op het erf van Pieter Dingemanse in Nieuw en Sint Joosland, terwijl daar een koopdag gehouden werd. Toen het op een gegeven ogenblik uit de hand dreigde te lopen en Izaak vloekend en tierend met een mes begon te dreigen, was het tijd voor de rijksveldwachters Walrave en Teerlinck om in te grijpen. Ze verzochten Izaak dat mes weg te doen, waarop deze zei: ‘Dat vervloek ik en den eertsten die aan mijn lijf durft te komen, dien steek ik het mes in zijn ziel’. Hierop hebben beide veldwachters hem in de boeien geslagen en ter ontnuchtering in de cel gezet. Op 21 maart 1861 moest Izaak voor de rechter verschijnen, die hem schuldig verklaarde aan: ‘het beledigen met woorden en dreigementen van bediende beambten in de uitoefening hunner bediening’. Hij werd veroordeeld tot een boete van tien gulden, wat voor die tijd een aanzienlijk bedrag was, terwijl ook de proceskosten voor zijn rekening kwamen. 

Op 15 november 1866 moesten er twee Midavaines op dezelfde dag voor de rechter verschijnen. Eerst Johanna, die getrouwd was met Janus Suvaal en op dat moment 53 jaar oud was. Zij had op 28 september 1866 Mientje Malgo achter de Branderijmolen in Middelburg een fiks pak slaag toegediend. Ze Was bij Mientje, die weefster was, in dienst geweest en had van haar loon 42 cent tegoed. Toen Mientje niet meer dan 30 cent gaf, was dat voor Johanna reden om op de vuist te gaan. Voor de rechter ontkende ze, dat ze geslagen had, maar deze verklaarde haar toch schuldig en veroordeelde haar tot een gevangenisstraf van één dag en een boete van drie gulden. Daniel Midavaine was hierna aan de beurt om voor de rechter te verschijnen. Daniel was 14 jaar oud en de oudste zoon van Adriaan Midavaine en Adriana Heyt en woonde in Serooskerke. Samen met een tweetal vrienden had hij op 9 september 1866 Johanna de Rader uit zijn woonplaats uitgescholden voor ‘hoer en loeder’. Aan de voorbijgangers hadden ze gevraagd: ‘Wie wilt ze hebben of hebt gij die vodde niet nodig, zij is er om verlegen’. Daniel en zijn vrienden werden ieder veroordeeld tot een boete van drie gulden.

Op 19 september 1867 moest de 15-jarige Adriana Midavaine op het matje komen. Zij was de dochter van Cornelis Midavaine en Johanna Dingemanse en woonde in Grijpskerke. In de winter van 1866 op 1887 was ze werkzaam als dienstbode bij A. Louws in Aagtekerke. Ze werd door Louws ervan verdacht tijdens haar dienstperiode uit de schuur van de hofstede een beurs met wat geld en een sleutel te hebben gestolen. Op 3 juni 1867 zou ze met een sleutel het kabinet hebben opengemaakt en hieruit twee kwartjes hebben gestolen. In dezelfde periode zlou ze ook nog babbelaars en suikerspekjes hebben meegenomen uit een kast, die ze eveneens met een sleutel zou hebben geopend. Tot slot stal ze op 18 juli een baaien rok, die aan een pin in de koeienstal hing. Ze werd door de rechters schuldig verklaard aan: ‘diefstal in dienstbaarheid en diefstal door middel van een valse sleutel in een bewoond huis’, en werd veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf.

In de avond van de 19e april 1870 kregen Hacobus Labrujere en Daniel Midavaine, die we hierboven al ontmoet hebben, ruzie met elkaar. Beiden waren ittmerman in Serooskerke. Waarover de rusie ging, is niet genoteerd. Op een gegeven ogenblik grepen ze elkaar vast en begonnen elkaar te slaan. Toen heeft Jacobus een mes tevoorschijn gehaald, waarmee hij Daniel een aantal verwondingen aan zijn hand heeft toegebracht. Het was de tweede keer, dat Daniel voor de rechter moest verschijnen en hij werd veroordeeld tot een geldboet van drie gulden. Jacobus kreeg een gevangenisstraf van drie dagen opgelegd.

 Catharina als uit het verhaal ‘Buurman Snijders’, op 4 april 1871 rond 6 uur ’s avonds, bezig was om takken af te snijden van een bosje op een gemeenteplantsoen vlak bij haar woonhuis, trof ze het slecht, want op dat moment kwam juist agent Van Duinen voorbij. In vroeger dagen was het verboden zich op de plantsoenen van de gemeente te bevinden, dus agent Van Duinen trok zijn boekje en verbaliseerde haar. Op 8 mei 1871 kreeg ze van de kantonrechter hiervoor een gevangenisstraf opgelegd van één dag, terwijl de kosten van het geding (2,09 gulden) ook voor haar rekening kwamen.

In het jaar 1875 was Pieternella Midavaine, de vrouw van Cornelis Goethart, werkster bij Adriaan Kuyt in Middelburg tegen een bedrag van 15 cent per dag. Op zekere dag miste Adriaan een tweetal schaafjes en omdat hij het sterke vermoeden had, dat Pieternella dat op haar geweten had, gaf hij haar aan bij de politie, op verdenking van diefstal. Op 17 juni 1875 moest ze voor de rechter verdwijnen. Deze kwam tot de conclusie, dat ze niet twee, maar slechts één schaafje gestolen had, met een waarde van twee kwartjes. Voor dit vergrijp werd Pieternella veroordeeld tot één maand eenzame opsluiting in de Strafgevangenis voor Vrouwen in Goes. Daarnaast moest ze het schaafje teruggeven of vergoeden, terwijl ze ook de kosten van het geding moest betalen(2,33 gulden).

 Uitzonderingen bevestigen de regel en dat geldt ook bij de familie Midavaine. Geen der Midavaines heeft ooit meer dan twee keer het gerechtsgebouw betreden, omdat hij op het matje moest komen, behalve Gillis Midavaine. Gillis was de tweede zoon van Daniel Midavaine en Willemina Schiekatte en was op 11 augustus 1876 in Vrouwepolder geboren. Minstens drie maal per jaar bracht hij wel een tijdje in de gevangenis door. Zijn strafblad begint in 1896. Gilles was toen 19 jaar oud. Op 27 maart 1896 bracht hij s’morgens om 9 uur een bezoek aan de zijvelfabriek vn Reynierse op d Dwarskaai in Middelburg. Bij binnenkomst  trof hij Willem Reynierse, die met een brandslang het was-lokaal aan het schoonspuiten was. Toen Willem Gillis Midavaine zal binnenkomen, richtte hij de slang op hem en spoot hem nat. Gillis deinsde even terug, maar ging daarna opnieuw naar binnen. Doch nu spoot Willem hem voor de tweede keer nat. Resoluut stapte Gillis Midavaine op Willem Reynierse af. Deze verliet het waslokaal, achtervolgd door Gillis. In de gang zag Willem, plots dat hij hevig uit zijn arm bloedde en dat er een mes dwars door zijn rechterbovenarm was gestoken. Hij had niets van de steek gevoeld. Enkele andere lieden die in de fabriek aanwezig waren, hadden gezien, dat Gillis dit mes in de arm van Willem had gestoken. Zoals te begrijpen valt, was Gillis Midavaine intussen van het toneel verdwenen. Tijdens de rechtszaak op 12 mei 1896 beweerde Gillis, dat hij met het mes de slang had stuk willen snijden, maar dat geloofde de rechter niet en achtte bewezen, dat Gillis moedwillig in de arm van Willem had gestoken. Enige dagen lang heeft Willem Reynierse niet kunnen werken en maanden nadien had hij nog steeds geen gevoel in zijn rechterpink. De rechter veroordeelde Gillis tot een gevangenisstraf van een maand. Dit was de eerste keer, dat Gillis Midavaine kennis maakte met het huis van bewaring, maar zeker niet de laatste maal, want in de periode 1896 tot 1912 heft hij welgeteld 35 maal in de bak gezeten, meestal opgepakt weg openbare dronkenschap of soms wegens een politieovertreding.`

Aldus het opgetekende verhaal van J.H. Midavaine te Veere.

Het geeft een aardig inzicht van hoe het was in tijden van mijn voorouders aan grootmoeders kant. Ik hoop eens ook de geschiedenis van mijn grootouders aan moeders kant te kunnen beschrijven.