Mijn verkeerde keuzes

Pioniersfase van levenscyclus (0 - 20 jaar) (1937 - 1957)

18 jaar

 

 

Hoofdstuk 4 Boek 1

  In mijn derde levensjaar dus in 1940, net voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog, ben ik met mijn moeder en vader verhuisd naar Rotterdam. Wij betrokken een eerste etage in de Gijsinghstraat. Een driekamerwoning. Wat ik mij hiervan nog herinner is dat ik bij de benedenburen op het zeil mocht doen alsof ik aan het schaatsen was. Hiervoor had de benedenbuurman zooltjes gemaakt van karton met touwtjes. “Dit zijn in het vervolg jouw schaatsen”, zei de buurman. Ik was drie jaar.

 Ik zat vaak op het stoepje in de deuropening van de etagewoning. Zo maakte ik ook vriendjes. En hoe jong ik ook was, zwierf ik toch al met die vriendjes spelend  langs de Coolhaven, waarvan ik niet ver weg woonde. Ik kan mij niet voorstellen dat mijn ouders daarvan wisten. Het was gevaarlijk als je niet kon zwemmen en dat kon ik nog niet. Eén van mijn vriendjes is tijdens het spelen, door van de wal op de schepen te springen en weer terug, letterlijk tussen de wal en een schip terecht gekomen en verdronken. Ik was er bij, maar heb de totale herinnering daaraan verdrongen. Zo weet ik ook niet meer of ik toen hulp gezocht  heb of dat anderen dat gedaan hebben. Het zit mij nog steeds dwars.

 Wat toen ook al veel indruk op mij maakte was het feit dat er in de straat verteld werd en door mijn ouders werd overgenomen, dat er een 'kinderlokker' in de straat woonde. Deze reed op een zogenaamde bakfiets waarmee hij bestellingen rondreed.  Ik zie hem in gedachten nog rijden. Hij bracht medicijnen rond voor de apotheek die op de hoek van de straat gevestigd was. Gek dat het zo'n indruk heeft gemaakt, dat ik dit als de dag van gisteren nog voor mij zie. Mijn ouders hadden mij op een gegeven moment zo bang gemaakt, dat ik de straat niet meer indurfde. En, ik wist niet eens wat een kinderlokker was. Dat werd mij ook niet verteld

 Oorlog 1940 - 1945

 Het bombardement op Rotterdam kan ik mij nog goed herinneren. Ik stond met mijn vader op het balkon te kijken  naar de mist van stof, kapok, veren etc. die langs ons balkon fladderden. Het geluid van vliegtuigen en fluitende bommen hoor ik nog als ik er aan denk.

 Een ander voorval,  dat ik mij kan herinneren.  was het feit dat pal tegenover onze woning, een bom was gevallen, doch niet was ontploft. Men noemde dat een blindganger. Het bleek een afzwaaier te zijn tijdens het bombardement op Rotterdam. De straat moest ontruimd worden om de bom te kunnen demonteren. Na enige uren kon iedereen weer naar huis. Mijn vader vond, bij nader inzien de straat strategisch niet veilig  liggen, omdat dit vlak bij de plaats was waar veel fabrieken stonden (Schiedamseweg, Keileweg). Er werd daar veel gebombardeerd, door vriend en vijand, met een grote kans op afzwaaiers, zoals die in onze straat. 

 Mijn ouders maakten dan ook plannen om te verhuizen, van West naar de binnenstad. Echter om te kunnen verhuizen naar een veiliger en betere buurt moest er wel verdiend worden en vader was werkeloos.

 Mijn vader had dus veel vrije tijd en sprak vaak met allerlei mensen over de oorlogstoestand. Zo wist ik mij te herinneren dat ik met mijn ouders veel op bezoek ging bij een man en vrouw, die een blinde zoon hadden. Wim heette die zoon. Hij was blind geworden omdat hij ijzervijlsel in zijn oog had gekregen tijdens de bediening van een draaibank. Regelmatig werd Wim opgehaald door een zeer aantrekkelijke schone, waar hij gedurende de week woonde en die hem verzorgde. Of dat zijn liefje was of niet,  heb ik later nooit kunnen achterhalen. Wim was in de twintig en had een prachtige zangstem. Gek dat ik dat nog kan herinneren. Of deze ouders en Wim familie waren van mijn moeder ben ik ook later nooit meer te weten kunnen komen. In ieder geval zijn ook deze mensen uit mijn leven verdwenen.

Een zeer memorabel moment in die etagewoning was – en ook weer vreemd - dat kan ik mij nog altijd herinneren – het moet kennelijk een onuitwisbare indruk op mij hebben gemaakt, op mijn driejarige leeftijd - dat mijn vader thuiskwam en huilend in de armen van mijn moeder viel, die ook huilde. Niet uit  verdriet zo bleek, maar omdat mijn vader werk had gevonden. Hij werd wachtcommandant bij de luchtbeschermingsdienst met als zetel het oude Raadhuis van Rotterdam in Delftshaven. Hij kreeg het commando over 160 man personeel, op grond van zijn ervaring als officier ter koopvaardij en in het Nederlandse Leger, voor de oorlog.

Omdat ik te jong was om alles te begrijpen en mijn vader thuis ook niet veel vertelde over zijn ervaringen als commandant, ben ik pas tientallen jaren later gaan onderzoeken wat die luchtbeschermingsdienst nu eigenlijk inhield.

Wel, in de eerste plaats moesten zij er voor zorgen dat in geheel Rotterdam ’s avonds geen uitstralend licht te zien was, om bombardementen op doelen te voorkomen. Verder moesten zij er op toezien dat de schuilkelders, die door de gehele stad waren gebouwd, gebruikt werden om te schuilen tijdens bombardementen. Buiten het bomalarm mochten deze schuilkelders niet worden gebruikt voor andere doelen, zoals toch veel voorkwam;  amoureuze avontuurtjes of als onderkomen voor zwervers.

Daarnaast moest de luchtbeschermingsdienst rapport uitbrengen over elke ingeslagen bom en de vernielingen moesten nauwkeurig worden beschreven. Maar ook moest zeer nauwkeurig worden omschreven wie zij als doden of gewonden in de gebombardeerde panden aantroffen. De dood vaststellen en de gewonden uitvoerig beschrijven over hun verwondingen en administreren naar welke ziekenhuizen de gewonden werden gebracht en naar welke  begraafplaatsen de doden. De diensten die de controleurs hadden waren verdeeld in 3 x 8 uur. Mijn vader moest dan weer als commandant de controleurs indelen, en tijdens hun werk controleren. Dag en nacht. Het is mede daarom dat, omdat mijn vader, in tegenstelling tot gewone burgers wel ’s nachts op straat mocht om zijn controlewerkzaamheden te kunnen uitvoeren, voorvallen heeft gezien die door de Duitsers vooral ’s nachts werden gepleegd omdat die het daglicht niet konden verdragen. Bijvoorbeeld het uit huis halen van Joden. Dit kon wel eens de reden zijn geweest dat mijn vader altijd zo verbitterd was, ook na de oorlog.

Mede omdat hij vrij kon rondlopen, op plaatsen waar anderen vaak niet mochten komen, hij noemde eens het Kralingse Bos als voorbeeld, werd hij door het verzet aangetrokken om actief tegen de Duitsers op te treden. Zo schijnt hij deelgenomen te hebben met enige kornuiten bij de invallen in distributiecentra om aan bonkaarten te komen voor de gezinnen waarvan de echtgenoten reeds in Duitse gevangenkampen zaten en dus niet voor hun gezinsleden konden zorgen. Ook was hij deelgenoot bij het opblazen van een trein met Duitse officieren nabij het Centraal Station te Rotterdam. Hiervoor zijn veel van zijn kornuiten door de Duitsers gearresteerd en geëxecuteerd.

Hij werkte mee aan het verzetsblaadje Het Parool, waarvan hij, dacht ik, eens gezegd heeft dat dit krantje in de kelder van het stadhuis werd gedrukt. Immers omdat daar de plaatsvervangend burgemeester, de ‘Ortskommandatur’ zat en er daar ook niet gezocht zou worden naar verzetshelden. Brutaler kan niet.

Menig maal is hij ternauwernood aan arrestatie ontsnapt. En dat alles terwijl zijn zwager, getrouwd met de tweelingzuster van mijn moeder,  een hoge NSB’er en SS’er was.

Dit was Gerard D. de vader van mijn neefje Gerard en mijn nichtjes Jopie en Gerrie. Het neefje had iets waar ik lang naar zou uitkijken. Een elektrische trein. Niet zo’n kleintje, maar één van fors formaat. De trein reed door de twee kamers op de onderste verdieping van hun grote woning. Mijn neefje bombardeerde de trein met houten blokken, tot groot plezier van mijn oom. Zij, mijn neefje en oom  hadden – zo bleek later zeker - destructieve geesten te hebben, zeker mijn oom.. Reden waarschijnlijk waarom  zij beiden lid waren van de NSB en mijn oom zelfs van de SS. Daarom kon mijn neefje waarschijnlijk aan zo’n trein komen. Gestolen misschien van Joodse mensen, dacht ik later wel eens. Dat die oom van mij zich had aangesloten bij de NSB had mogelijk te maken met het feit dat er sprake was van verlies van baan als je in die tijd geen lid was van de NSB. Hij was in die tijd docent op de Ambachtschool aan de Beukelsdijk te Rotterdam. Dat hij later ook nog eens zich heeft laten strikken voor de SS duidt mijn inziens op een gebrek aan intelligentie. Immers mijn vader zag hun verlies al jaren daarvoor aankomen. Dat hij niet zo intelligent was enerzijds en anderzijds ook weer niet zo’n fanatieke Nazi te zijn geweest blijkt wel uit het volgende. Op een dag werd hij– opgepakt om ook te  worden getransporteerd. Zijn Duits was kennelijk niet voldoende om de soldaten er van te overtuigen dat hij als NSB’er en SS’er niet behoefde te worden tewerkgesteld. Hij liet zich echter in de trein voeren. Maar onderweg realiseerde hij zich dat hij met iets verkeerds bezig was en sprong uit de trein. Hij werd licht gewond maar wist terug naar huis te lopen. Van Amersfoort naar Rotterdam. Wat hij er van overgehouden heeft was een blijvend litteken op zijn neus. Althans dit was het verhaal dat hij vertelde aan mijn vader en moeder. Pas veel later is mij duidelijk geworden dat het verhaal heel anders lag. Uit recentelijk onderzoek in 2009 is het volgende gebleken.

Op 19 december 1940 zou mijn oom zich officieel aangemeld hebben bij de NSB (maar waarschijnlijk was hij lang hiervoor al actief, er zijn stukken gevonden waarin de datum 1933 is vermeld). Ergens in de stukken stond dat hij in 1942 een SS opleiding kreeg in Avergor.

Beschuldigingen uit Getuigenverklaringen die zijn opgetekend in het dossier van het Hoger Bijzonder Gerechtshof, na de oorlog, vermeldden dat hij als lid van de Landwacht ten voordele van de vijand patrouilles en controles zou hebben uitgevoerd op onderduikers en illegale werkers.

Hij zou bekend hebben gestaan onder de naam Victor de Metselaar. Een zekere Frederik van de Wallen, een leerling van mijn oom, heeft tegen hem getuigd en verklaringen afgelegd voor het Gerechtshof in september 1945. Hij verklaarde onder andere dat mijn oom propaganda verkondigde in de klas en zelfgemaakte kopjes van Hitler, uit gips gegoten,  verkocht voor één gulden per stuk. Deze getuige heeft ook verklaard dan mijn oom gewerkt heeft in Kamp Amersfoort en volgens mijn oom “de joden daar flink te grazen heeft genomen”.

Ook moest ik nu denken aan de angst die mijn moeder had als zij met mijn vader op visite gingen bij de familie Dijkers. Zij waarschuwde mijn vader vooraf om niet te veel over politiek te praten. Mijn vader luisterde dan wel naar haar maar had kennelijk niets gehoord. Ik herinnerde mij de enorme ruzies die ontstonden tussen mijn vader, mijn oom en bezoekende of bij mijn oom inwonende Duitse officieren. Mijn vader was er van overtuigd dat Hitler de oorlog zou verliezen, terwijl mijn oom en zijn kornuiten overtuigd waren van de overwinning. Hoe anders is het voor hen gelopen en hoe gelijk kreeg mijn vader. Goed beschouwd een stupide situatie. Mijn vader zat bij het verzet terwijl mijn oom bij de NSB zat. En niet alleen bij de NSB. Hij was ook lid van de SS, van NVB, NAF, NDK, Rechtsfront, Opvoedgilde, Landwacht, SD, hij was “Sturmman” en “Obersturmfuhrer”, waarvoor hij dik betaald kreeg.

Natuurlijk wist mijn oom zeer waarschijnlijk niets over de dubbele rol die mijn vader vervulde.

Terugdenkend onderga ik opnieuw de angst die ik en mijn ouders hebben moeten doorstaan,  als wij op weg van een visite naar huis liepen en onderweg een huis in moesten vluchten vanwege de bombardementen. Eenmaal werden wij door een dokters gezin,  op de Heemraadsingel,  in huis opgevangen. Die angsten moeten  bij mij onherroepelijk traumatische sporen hebben achtergelaten. Dat bleek wel tijdens een opname in het ziekenhuis vanwege een diabetes-burnout en een daarop volgende depressie in 2004.

Mijn vader kwam ook een keer thuis, gewond, in elkaar geslagen, door wie? Dat heeft hij althans mij nooit verteld en dus kom ik het ook niet meer te weten. Wel heeft hij mij verteld dat in een pand aan de Heemraadsingel martelkamers waren van de ‘Grüne Polizei”. Hij meed ook na de oorlog dat stuk van de singel. Dat weet ik. Verder niets.

Meer als vroeger ben ik met het verleden bezig, meer dan met het heden. Te meer ook omdat ik probeer vast te stellen hoe, waardoor en waarom  mijn karakter in de loop der tijd zo is veranderd. Van een introverte jongeman naar een extroverte, soms zelfs narcistische man, die hoewel narcistisch vaak een hekel aan zichzelf had.

Ik herinnerde mij nog de eerste dag op de lagere school. Je moet weten dat er in oorlogstijd geen kleuterscholen waren. De lagere school was dus mijn eerste schoolervaring. Mijn vader bracht mij. Die dag had mijn vader mij met een smoesje meegenomen en mij gepresenteerd op de school, bij juffrouw Allaart, na eerst bij het hoofd van de school, de heer Gast te zijn geweest. Het was in het jaar 1943. Midden in oorlogstijd dus.  Door de zenuwen voor wat mij te wachten stond kon ik het gesprek dat juffrouw Allaart met mijn vader voerde, niet goed volgen. Ik was geconcentreerd op wat mij te wachten stond. Ik kan mij overigens niet herinneren of mijn moeder ooit binnen die school is geweest. Het was altijd mijn vader, die mij bracht en haalde, als hij daarvoor tijd had en als hij geen tijd had liep ik ‘s ochtends ondanks mijn jonge leeftijd van de Snellinckstraat via de ’s-Gravendijkwal tot bijna aan de Middelhandstraat waar mijn school stond en tussen de middag weer terug om ‘s middags dezelfde heen en terugwandeling te maken. Meestal niet alleen, maar met vriendjes of soms met ouders van vriendjes.

Niet wetende wat mij al zo te wachten stond, was ik erg zenuwachtig, ondanks het feit dat mijn vader op mij insprak dat ik het spoedig heel erg leuk zou gaan vinden. Nou, zo heb ik het niet echt ervaren. Toen niet en nooit niet. Het zweet brak mij uit, want op de een of andere manier wist ik wat er komen zou. Mijn vader zou en dat had ik wel begrepen, mij hier achterlaten. Ik weet nog hoe boos ik op zijn vader was toen hij door de gang uit mijn gezichtsveld verdween en ik was overgeleverd aan die juffrouw, die na het vertrek van mijn vader ineens veel onvriendelijker leek en wat ik nog het ergste vond, die blikken en opmerkingen van mijn toekomstige klasgenootjes. Waarom wist ik niet. Het leek er op dat al die jongens in de klas al langer met elkaar hadden opgetrokken. Dat was ook zo, ik had zelf een ziekte achter de rug zodat ik pas later op school kwam. Ik begon dus met een achterstand van hoeveel maanden weet ik nu niet meer. Het zal wel gekomen zijn door de verhuizing, van Rotterdam West naar Rotterdam Oud West,  Op de een of andere wijze kwam via de antennetjes van mijn klasgenoten door, dat  ik een verlegen jongetje was, waar ze niets van te vrezen hadden en misschien wel over konden heersen. Dat was ook zo. Ik was een zeer bedeesd, verlegen jongetje, wat ik zeer lang ben gebleven. Dit had natuurlijk ook te maken met mijn afkomst. In mij zaten Zeeuwse genen, en zijn het niet de Zeeuwen die altijd eerst de kat uit de boom kijken?

Terugdenkend, aan mijn vader, die mij zo maar achterliet op school, moest ik even denken aan het moment dat ik mijn dochter Denise op achtjarige leeftijd in een ziekenhuis te Utrecht afleverde voor de verwijdering van haar amandelen. De schreeuw in de gang, toen ik weer op weg was naar buiten en mijn dochter achterliet bij de zusters, zal ik niet licht vergeten. Ik kon toen ook nog niet weten dat ik nog eens zou worden geconfronteerd met een andere schreeuw in een gang, in mijn vijf en twintigste levensjaar, die mijn hele leven zou veranderen. Nogmaals terugdenkend aan die schooltijd vond ik het van het begin af aan afschuwelijk. Ik moest gaan zitten in een bank, voorin de klas, omdat ik tot de kleinsten behoorde, terwijl ik voor mijzelf, bij binnenkomst, al een keuze had gemaakt voor de achterste bank. De verkeerde keuze dus.

Terwijl ik in de bank naast een vreemd knulletje werd neergezet, werd mij zeer indringend verteld dat ik mijn armen over elkaar moest doen en mijn voeten netjes naast elkaar op de voetenbank moest zetten. De juffrouw, want zo noemde men haar toen, legde op de armen een liniaaltje en op de voeten ook één. Zij vertelde daarbij dat de liniaaltjes niet mochten vallen. Viel er toch één, ontdekte ik later, dan moest je de handen op de lessenaar leggen en kreeg je klappen met hetzelfde liniaaltje op je vingers. Hoe kon, wat mijn vader had gezegd, het toch leuk gaan worden? Het leesplankje met aap, noot mies werd verstrekt om te leren lezen. Wat wel leuk was dat je een zogenaamde kroontjespen kreeg met een inktlap. De inktpot zat onder een klepje in de lessenaar. Dat was nog een heel gedoe om daar mee overweg te kunnen, zonder je handen vies te maken. Mijn moeder had een dergelijke inktlap, bestaande uit diverse lagen textiel en een knoop in het midden, gemaakt. Later bedacht ik dat het gedoe met die liniaaltjes wel eens door die rotmoffen zou kunnen zijn ingevoerd. Zij stonden immers een Spartaanse opvoeding voor! Zo jong als ik was had ik het meeste moeite met de vernedering die ik moest ondergaan.

Ik was geen hoogvlieger en had veel last van faalangst. Als er een vraag aan de klas gesteld werd, wist ik meestal wel het antwoord, maar stak nooit mijn vinger op, uit vrees het verkeerde antwoord te geven. Anderen staken hun vinger wel op en gaven dan het antwoord dat ik al voor in de mond had, maar niet durfde te zeggen. Zodoende gingen de anderen vaak met betere cijfers op rapporten naar huis dan ik. Ik maakte dus weer opnieuw verkeerde keuzes.

Nee, dat was, er nog eens aan terugdenkend, geen leuke tijd, vond ik. Een schooltijd met regelmatige onderbrekingen, door bombardementen op de stad Rotterdam. Ik had ook heel onplezierige ervaringen in de derde klas. Voor die klas stond de heer Rijs. Tijdens het zingen speelde hij viool. Best leuk, maar als je niet meezong of vals zong, trok hij je aan je oren omhoog uit de bank en smeet je dan met een geweldige beweging weer terug in de bank. De etter. In de vierde klas was het nog gekker. Daar stond een mijnheer Moor voor de klas. Die had voor in de klas een rek hangen met stokken van verschillende dikten. Als je nu iets verkeerd had gedaan, in zijn ogen, dan moest je voor de klas komen, een stok uitzoeken en gebukt gaan staan. Natuurlijk koos iedereen, de eerste keer en in het begin van het schooljaar, de dunste stok, al gauw er achter komende, dat die door het zwiepen het hardst aankwam. Zo kreeg je stokslagen uit zijn verzameling stokken, die hij allemaal een naam had gegeven. Namelijk de namen uit het toen bekende stripverhaal Tripje en Elizabetha, dat dagelijks in het Rotterdams Nieuwsblad verscheen.

Met het feit dat regelmatig joodse vriendjes en vriendinnetjes van school verdwenen en nooit meer terugkwamen, was dit een nare tijd.

 Een tijd waarvan ik mij nu nog kan herinneren dat honger een dagelijks terugkomend verschijnsel was. Honger en angst waren delen van mijn jonge leven. Zeker in de laatste oorlogsjaren was er ook geen sprake meer van spelen, wat toch eigenlijk een belangrijk deel van je jeugd zou moeten bepalen. We waren te zwak om te bewegen en langzamerhand bewoog ik helemaal niet meer, zat onderuitgezakt in een stoel en staarde apathisch voor mij uit, hetgeen ik later van mijn ouders en deels door eigen herinneringen heb ervaren. Mijn voeten en gezicht waren dik van de hongeroedeem. 

Zelden komen de herinneringen bij mij in chronologische volgorde. Zo herinnerde ik mij een voorval in de Hongerwinter van 1944. Het bericht viel bij mij in als een bom. want ik kreeg van mijn moeder te horen dat:  "Die mijnheer, aan de overkant op de tweede verdieping, je weet wel, waarvan jij af en toe een boek van krijg, die leraar, is overleden.”  Nu was ik er enigszins aan gewend geraakt, dat er mensen stierven in de straat. In huis  maar ook wel op straat. Die mensen bleven dan soms dagenlang liggen,  omdat er geen vervoer was of dat er niet voldoende doodgravers waren. "Het was zo'n aardige man ' , zei mijn moeder en toen ik de tranen in mijn moeders ogen zag en zij diep in haar stoel wegzakte, alsof zij even niet tot deze wereld wilde behoren, kon ik het huilen ook niet laten.  Ik was bang dat ik  mijn moeder ook zou gaan verliezen. Zij was zo mager, haar ogen lagen zeer diep in de kassen en hadden vrijwel geen glans meer. Het was de difterie die haar verlamde en die haar inmiddels ook een hartafwijking had bezorgd. Boos was ik altijd op haar,  als zij ondanks haar handicap,  toch de traploper eens per week opnam, de loper klopte; de koperen roeden waarmede de loper op zijn plaats werd gehouden, poetste, de trap dweilde en ook nog de koperen knop aan de buitendeur en de deurbel,  poetste. Zij was dan helemaal op en snakte naar adem. Ik huilde dan van angst dat zij weer een hartinfarct zou kunnen krijgen - zij had er al een gehad toen zij nog maar twee en dertig jaar was - waarvoor mijn vader,  in mijn aanwezigheid,  haar dikwijls had gewaarschuwd. Vele malen heb ik daarom die taken maar op mij genomen. Zo jong als ik was. En dat terwijl  de familie Brandenburg, die op de tweede verdieping woonde en uit een groot gezin bestond, waaronder oudere kinderen dan ik en  de trap meer gebruikten dan ons gezinnetje, wij waren immers maar met zijn drietjes, geen moeite deden mijn moeder bij te staan. 

 Toen mijn  vader thuis kwam en het  hoorde van de buurman, trok hij diepe rimpels in zijn voorhoofd en legde hardop nadenkend, een technisch probleem uit. "Jij weet jongen,  dat die buurman bijna twee meter lang was en ik vraag mij af, hoe zij die man, of beter nu gezegd, het lijk naar beneden moeten krijgen." De huizen in de straat waar ik woonde, gebouwd aan het begin van de negentiende eeuw, waren hoog, erg hoog. Ik  dwaalde,  tegenover zijn moeder zittende,  weer af naar die mijnheer aan de overkant. Ik beschouwde hem als mijn vriend, hoewel ik hem niet bij naam kon noemen,  omdat, als mijn vader weer eens had moeten onderduiken hij mij bij mijn schoolwerk hielp. Hoewel, veel naar school ging ik niet,  want de Duitsers hadden mijn school tot kazerne gemaakt en er was maar één lokaal beschikbaar voor alle klassen.

Het benedenhuis van mijn overbuurman had een souterrain, waar je bij geopend raam rechtop lopend naar binnen kon gaan. Boven dat souterrain was er een benedenwoning, één met een souterrain,  niet alleen groot van oppervlakte maar vooral ook hoog. Zo'n huis had een aparte ingangsdeur. Daarnaast leidde een deur naar de eerste etage, waartoe je,  om boven te komen,  een lange trap met een tussenportaal moest beklimmen, die dan ook nog een scherpe wending naar rechts maakte om op de gang uit te komen waar direct links een deur was met de toilet en twee deuren die aan weerszijden van de gang toegang gaven tot de voorkamer en de achterkamer. Daartussen was dan nog een slaapkamer. Verder was er dan rechts van de deur naar de voorkamer,  een trap naar de tweede verdieping. Ook deze eindigde in een gang met een zelfde situatie als bij de eerste verdieping. Op dezelfde manier als op de 1e etage was er op de 2e etage nog een trap naar de 3e etage, welke twee maal rechtsom ging naar de zolder, waar de familie van de eerste etage en de familie van de tweede etage nog een kamer hadden,  respectievelijk  aan de voor- en de achterzijde, met daar tussenin twee zolderruimten, die inmiddels bij de meeste woningen niet meer bestonden,  omdat de scheidingswanden van hout in de kachel waren opgestookt. Hetzelfde was gebeurd met de houten trapleuning. Het trieste  nu was,  dat die buurman op de aller-bovenste verdieping was overleden en dus drie trappen zou moeten worden afgedragen voor de ter aardebestelling, met in totaal vijf bochten. Ik nam mij voor, op de dag van de begrafenis, twee dagen na zijn overlijden, gezamenlijk met wat vriendjes. Dik den H. en Louis L,  het gehele komende tafereel goed te gaan bekijken. Ik had aan ze verteld wat mijn vader had verteld over dat technische vervoersprobleem. Zij en ik stonden bijna op de bovenste blauwe stoep van de benedeningang, waarboven de buitendeur zich bevond,  toen wij een handkar met een amateuristisch  in elkaar getimmerde doodskist van triplex of iets dergelijks en vier doorgravers aan zagen komen. De kostuums hadden te lijden gehad door de tand des tijds en de figuren die in die pakjes liepen waren zelf meer dood dan levend, als gevolg van de Hongerwinter. Zij laadden de kist af. Je kon zien dat deze lichte last zelfs te zwaar voor het viertal was. Handvatten zaten er niet aan de kist. Er waren slechts twee maal twee gaten in de zijwanden, respectievelijk aan het hoofd- en voeteneinde geboord, touwen er door heen gestoken en van binnen met knopen vastgezet.

Zuchtend en kreunend werd de overmatig lange kist naar boven gedragen,  in een tempo zo laag dat ik en mijn vriendjes  bijna wilden bijspringen. Bij de eerste bocht moest de kist vrijwel rechtstandig naar boven worden gericht om de wending te kunnen nemen, en er zouden nog vier bochten volgen. In mijn herinnering heeft het kisten van de overledene niet lang geduurd, want naar schatting een uur hoorden wij van boven af een hevig gestommel, boven het gehuil van de  nog levende echtgenote, die ik ook goed kende. Het gestommel en gekreun nam toe en wij meenden zelfs wat vloeken te horen toen bleek dat de doodgravers verschrikkelijk veel moeite hadden de kist door de krommingen te leiden en er weer niet aan ontkwamen de kist vrijwel verticaal door de bochten te sturen.  Een tafereel dat ik en mijn kornuiten  van beneden af nog niet konden zien. Eindelijk zagen wij  de twee onderste doodgravers en een glimp van de kist, in het donker van de gang, want er was geen verlichting. Ik stond met mijn vriendjes naast elkaar,  alsof wij de kist wilden opvangen. Opeens gebeurde het. Een roede van de loper schoot los en wij zagen de doodgraver, die onder liep,  onderuit glijden. Hij trok daarbij het handvat door de plank heen en miste dus verdere  houvast. De andere linkse doodgraver kon de kist niet meer houden. En ondanks dat de overledene mager moet zijn geweest,  had hij kennelijk door zijn lengte toch nog een behoorlijk gewicht. De twee doodgravers boven konden de kist ook niet meer houden en lieten onder luid geschreeuw de kist los. De kist gleed de trap af,  maar bleef steken op het onderste portaal, die plus minus 8 treden van de deur verwijderd was. Het voeteneind van de kist kon de kracht,  die het lijk door de val uitoefende,  niet houden, schoot los en het lijk in wit gewaad gleed op ons af. Met  een enorme snelheid sprongen ik en mijn vriendjes weg en het lijk zette zijn tocht voort tot op het trottoir. Daar moest hij in wat nog over was van de kist, opnieuw gekist worden en  op de handwagen worden gehesen, waarbij ik en mijn vriendjes onze diensten aanboden, hoe zwak wij zelf ook waren. 

Als ik er nu nog aan denk,  zit de schrik er nog steeds in. Ik heb wel eens meer moeten vluchten in mijn leven maar slechts één keer voor een lijk.  Feitelijk was mijn leven in die tijd er één van angst, verdriet, gebrek aan liefde en honger.

Hoogtepunt in mijn leven in oorlogstijd was een tocht met een dekschuit van Rotterdam naar Middelburg om met mijn vader aanwezig te zijn bij de bruiloft van zijn jongste zuster, Corrie en mijn oom Jan Hanegraaf. Ik kreeg na lange tijd weer eens normaal eten. 

Een memorabel voorval te noemen is een kaakoperatie die ik moest ondergaan in het Academisch ziekenhuis te Utrecht, waar ik omringd door veel artsen, maar vooral veel studenten werd geopereerd. Mijn houvast was een geel motorfietsje dat ik constant in de hand hield en niet losliet.