Mijn verkeerde keuzes

Pioniersfase van levenscyclus (0 - 20 jaar) (1937 - 1957)

Pleuni Touw mijn kortstondige vriendin toen ik 17 jaar oud was.

 

Hoofdstuk 5 Boek 1

Een andere zeer traumatische ervaring voor mij was het voorval toen in de straat waar ik woonde, de Snellinckstraat te Rotterdam een razzia plaatsvond. Het was op de 11 november 1944. Ditmaal wist mijn vader dat het niet zou helpen dat hij bij de luchtbeschermingsdienst zat. Hij verwachtte dat de Duitsers inmiddels ook zouden kunnen weten dat hij in het verzet werkte. 

Reeds vroeg in de oorlog had mijn vader een vluchtroute gecreëerd. Op het balkon van de woning op de eerste etage lag altijd een dik touw, met om de dertig centimeter een knoop, gereed. Als hij via een spionnetje kon zien dat er Duitsers voor de deur stonden bevestigde hij het touw aan het balkonhekwerk en liet zich daaraan zakken in de tuin van de benedenburen, de familie Sparnaar, die in het ontsnappingscomplot zaten. Vanuit die tuin klom hij over het hek in de tuin van de familie Vollebrecht. Achter in die tuin stond een zeer grote duiventil, waaronder een schuilplaats voor mijn vader was gemaakt. Vanzelfsprekend was hij dit allemaal met de buren overeengekomen. Na het afzakken via het touw moest mijn moeder het touw zeer snel binnenhalen, losknopen en in een kast verbergen. Dit alles moest binnen een minuut gebeuren. Zo ver ik mij kon herinneren heeft hij van deze vluchtroute enkele malen gebruik gemaakt. Wat hem er toe gebracht heeft ditmaal tijdens deze razzia geen gebruik te maken van die vluchtroute is mij nooit duidelijk geworden. Het kan zijn dat hij er inmiddels van op de hoogte was dat er tegenover ons verraders woonden. Aan de Rochussenstraat. Mijn vader gaf mijn moeder opdracht om het huis uit te gaan, bij de buren Vollebrecht op nummer 36 te wachten wat er zou gaan gebeuren. Hij vertelde daarbij aan mijn moeder: ‘Ik zal, als ik word weggevoerd nog één maal naar jullie zwaaien en dat zal zeer waarschijnlijk het laatste zijn wat jullie van mij zien. Ik ben van plan op bed te gaan liggen, mij ziek te houden en de eerste de beste Duitser die naar binnen komt, zal ik  met een bajonet, die ik onder de dekens zal gereedhouden, vermoorden. Wellicht moet ik er twee of drie vermoorden. Ik laat mij echter niet vrijwillig wegvoeren.’

Zo gezegd zo gedaan. Hij lag in bed. De trekbel ging. Vader deed niet open. Wij hoorden de bel en de angst sloeg om mijn moeders en mijn hart. Huilen moest ik want ik zou waarschijnlijk mijn vader nooit meer zien. De bel ging nogmaals. De buitendeur werd via een touw geopend door de bovenburen, die kennelijk de bel, die maar één maal ging voor de eerste etage, ook gehoord  hadden. Er liep een Duitse soldaat naar boven. Het bonken van de laarzen op de houten trap, waarop geen loper meer lag moet angstaanjagend zijn geweest voor mijn vader  Op de eerste verdieping klopte hij, links voorbij de toilet, op de toegangsdeur van het appartement waar mijn vader lag. Hij klopte nog eens en nog eens en ging de trap weer af. Zonder zelfs aan de bovenburen, die de deur hadden opengetrokken te vragen of er iemand op etage één aanwezig was. Dit heeft niet alleen zijn leven gered maar ook dat van mijn vader. Kennelijk hadden wij hier te maken met een keurig opgevoede soldaat, want die waren er natuurlijk ook, die er vanuit ging dat er niemand aanwezig was om zijn kloppen te beantwoorden. Dit is één van de voorvallen waardoor ik later in God ben  gaan geloven, die een engel moet hebben gestuurd om een Duitser, mijn vader en zeer waarschijnlijk ook mijn moeder en mij te beschermen. Immers moeder en ik waren volkomen afhankelijk van vader  die op de een of andere manier steeds weer aan eten wist te komen, hoe weinig het ook was.

Gebruik makend van zijn contacten die hij tijdens de mobilisatie voor de oorlog had opgedaan,  in Tiel, Culemborg  en omgeving, ging hij regelmatig op de fiets eten halen bij een bevriende slager, bakker en boeren, waar hij gelegerd is geweest tijdens de mobilisatie. Ondanks zijn goede papieren is het toch regelmatig voorgekomen dat hij onderweg door Duitsers werd beroofd en met niets thuis kwam, tot groot verdriet van mijn moeder en mijzelf, die beiden zeer te lijden hadden door het gebrek aan voedsel. Beiden waren stervende.

Het was soms een hard gelag,  dat er in de kelder van één van de onderburen, links van het pand van de ons goed gezinde buren, de kelder aan twee meiden waren  verhuurd, grote hoeveelheden eten werden binnengebracht door Duitse officieren, waarmede zij een innige relatie onderhielden. Niet de relatie kon ons op dat moment schelen, maar wel het gemis aan dergelijk voedsel. Het is vanzelfsprekend dat direct na de oorlog er behoorlijk wraak is genomen door de bewoners van de straat waarin dit allemaal afspeelde, de Snellinckstraat.

Het krioelde rond en in de Snellinckstraat van Duitse officieren die gelegerd waren in het gebouw aan de Rochussenstraat, waarin nu de Hogeschool Rotterdam is gevestigd. Nog geen dag na het einde van de oorlog hebben mijn vrienden  en ik - niet beseffende dat de Nederlanders toch voor de kosten van herstel zouden opdraaien - alle ruiten van dat gebouw ingegooid uit louter balorigheid en opgekropte woede. Zo ziek als ik was moest ik dat doen.

Voor het vermaak van de Duitse officieren waren er drie nachtclubs gebouwd in niet permanente staat, recht tegenover hun verblijfplaats. Het waren Habanera, l’ Ambassadeur  en Cascade. Deze nachtclubs zijn nog lang na de oorlog blijven bestaan en toen ik zo rond de twintig jaar oud was, was ik ook een regelmatige bezoeker aan deze nachtclubs met variété. Een club was toen nog geen bordeel zoals het nu meestal is.

Oh, ja en dan dit nog. Ondanks de oorlog werd er toch op bescheiden wijze door de Nederlanders Kerstmis gevierd. Dit stond in schril contrast met de wijze waarop vooral de Duitse officieren Kerstfeest vierden in 1943. Mijn oom Gerard  had bedacht dat zijn kinderen, Jopie en Gerard alsmede zijn neefje, ik dus, mee zouden doen aan een Kerstvoorstelling in de Rivierahal, in diergaarde Blijdorp. De zaal was afgeladen met Duitse uniformen en het ontbrak er aan niets. Je zou het bijna een orgie kunnen noemen, hoewel ik dat in die tijd nog niet begreep.  In ieder geval een vreetfestijn. Ik moest op een gegeven moment aan de linkerzijde van het podium, gezien vanaf het publiek, opkomen, aan de hand van mijn nichtje en neefje. Ik liep daarbij aan de zijde van de zaal langs de voetlichten. De opdracht was dat er rechtuit moest worden gelopen en dat er moest worden gewezen naar een ster, die zich bevond aan de achterwand. Kennelijk moet dat op een moment zeer grappig effect zijn geweest want dat wijzen door die drie kinderen werd met luid applaus begroet. Het leek namelijk wel erg op de Hitlergroet. Of dat opzet van mijn oom is geweest weet ik niet, maar het zou mij niet verbazen als dat zo was. De zaal juichte en applaudisseerde. Nooit heb  ik  dit moment vergeten. Ik  durfde het mijn ouders niet te vertellen. Ik geloof dat ik het na de oorlog pas aan mijn moeder heb verteld.

Vaak heb ik mij afgevraagd welke invloeden mijn ervaringen tijdens de oorlog moeten hebben gehad op mijn latere leven.  Het was een tijd van voortdurende vrees, voor datgene wat uit de lucht kwam in de vorm van bommen en voor datgene wat er in het dagelijks leven te zien was. Deportaties van Joden, mannen, vaak zelfs heel jonge mannen en het gedrag van jonge vrouwen, die het met de Duitsers aanlegden, veelal en dat mogen wij bij ons oordeel niet vergeten, omdat zij honger hadden en al vroeg ontdekten dat zij letterlijk op een goudmijntje zaten.

In de winter van 1944 gebeurde het dat in de straat waarin ik woonde er gedurende enkele dagen lijken in de straat lagen, die omdat er geen mensen en middelen meer genoeg waren om ze te verwijderen. Het marcheren van de bezetters door de straten hebben een onuitwisbare indruk bij mij achtergelaten. Aangewakkerd door commentaren van mijn vader is de haat voor de Duitsers bij mij lang bijgebleven en pas weggeëbd na vakantiereizen en zakelijke bezoeken aan Duitsland. 

Ik heb me dat later pas gerealiseerd wat een grote indruk de oorlog op mij heeft gemaakt en waarmede ik pas veel later werd geconfronteerd. In 1943 vond er een bombardement plaats in de straat waar ik woonde, de Snellinckstraat. Verschillende panden op de Zuidoost hoek werden vernietigd. Enkele granaatscherven kwamen terecht op de tweede verdieping van het daar tegenover staande huis op nummer 11. Mijn later vriendje Wim Fassotte verloor hierbij zijn kleine zusje, terwijl hij de onderkant van zijn been verloor en later in een beugel moest lopen.Ik denk dat hij twee jaar was toen het gebeurde.  

Ik denk dat het meest dramatische wat ik heb meegemaakt een voorval was dat ik met mijn vader op de Coolsingel liep en er door Duitse militairen willekeurig mannen van de straat werden opgepakt, die tegenover het stadhuis tegen een schuilkelder werden gezet. Het waren er zo ongeveer tien. Mijn vader was heel snel weggelopen om de dans te ontspringen; mij aan zijn hand voorttrekkend. Op wat hij vond een veilige plaats konden wij toch zien wat er te gebeuren stond. De mannen werden geëxecuteerd.  Ik hoorde de commando’s, hoorde de schoten en zag de mannen vallen. Nooit is dat voorval meer uit mijn gedachten geweest en droom ik er nog wel eens van.

Er zijn veel voorvallen geweest die, na zestig jaar, mij nog helder voor de geest staan. Bijvoorbeeld het uit huis halen van mannen in onze straat. De Joodse families die uit hun huizen werden gesleurd. De dode lichamen die regelmatig bij ons in de straat lagen. De ontelbare begrafenissen in onze buurt en de spanningen die er thuis waren omdat mijn vader bij het verzet zat en mijn moeder dit vanwege het gevaar afkeurde. Ik was altijd blij als ik na het thuiskomen van school één van mijn ouders zag. Het was in die tijd de gewoonte dat als er iemand was overleden, de gehele straat witte lakens voor de ramen hing, zodat ik bij het betreden van mijn straat nog niet wist wie was overleden. Ik hoopte altijd maar dat het niet één van mijn ouders was, hoewel ik ook medelijden had met mijn buren als er één van overleden was.

 Mijn grootste angsten, en die waren er dagelijks, waren dat als ik thuis van school zou komen mijn vader er niet meer zou zijn en de angst dat mijn moeder niet meer zou leven, vanwege haar steeds slechter wordende gezondheid.  Die angst speelde voortdurend door mijn hoofd, tijdens de lessen. Ik was alleen daarom al geen hoogvlieger op school. Daarbij kwam dat ik ook angst had voor de leerkrachten, vooral die met stokken. Reeds toen nam ik mij voor, al wist ik nog niet hoe dat ik later niet langer de baas over mij zou laten spelen. Omdat te kunnen verwezenlijken moest ik zorgen zelf een leider te worden. Nogmaals, ik had geen vast omlijnde plannen en wist absoluut niet hoe ik in leiderschap zou kunnen geraken. Ook zal ik niet vergeten de angsten die ik had als ik over straat liep en de sirenes gingen af, waarna je het fluiten van de vallende bommen kon horen en niet kon vaststellen waar die terecht zouden komen. Kortom mijn leven, tot zeker mijn twaalfde jaar, de tijd dus op de lagere school, werd bepaald door angsten. De meeste angst had ik om de denkbare omstandigheid dat ik één of beide ouders zou kunnen verliezen. Ik was enige zoon, had tot mijn spijt geen broer of zuster en moest alle angsten dus alleen dragen. Overigens is dat laatste er de oorzaak van dat ik reeds toen al tot mijzelf zei, later, als ik eenmaal getrouwd zal zijn, meerdere kinderen zou willen nemen. Ik ondervond te veel nadelen van het enige kind te zijn in ons gezin.

De Hongerwinter van 1944 is mij bijna noodlottig geworden. Ik had een hongeroedeem, waarbij alle ledematen extreem waren opgezet. Ook mijn moeder is het slachtoffer geworden van de ontberingen tijdens de oorlog. Zij liep een difteritis op wat uiteindelijk een hartklep heeft aangetast, waardoor zij na de oorlog invalide is gebleven.

Ik herinner mij nog iets vreselijks, maar dan mijzelf betreffende.  Doordat ik altijd honger had en sterk verzwakt was door het oorlogsgebeuren, was ik zwak op mijn water en  plaste ik een keer in mijn broek tijdens de schooluren. Vrijwel de gehele dag zat ik in een natte broek en met schaamrood op de kaken, omdat mijn eigen lucht ruikend, ik besefte dat ook mijn vriendjes het moesten ruiken. Zelfs op weg naar huis ontwaarde ik de opmerkingen van mijn vriendjes en hun moeders en vaders. Nu, na meer dan zestig jaar voelt ik nog hoe ik mij op die dag voelde. Eenzaam en alleen. 

Het gaat bij mij net zoals bij veel ouderen: het lijkt wel alsof je op latere leeftijd je steeds meer gaat herinneren en steeds verder in het verleden. Mijn korte termijn geheugen wordt er niet beter op maar een groot deel van mijn verleden draait elke dag als een film aan mij voorbij. Spreekwoordelijk was dagelijks mijn angst, gedurende de jaren 1943- 1944, of ik wel of niet ‘s morgens een boterham zou krijgen bij mijn vriendje thuis, Jan van de Berg, die ik elke dag ging ophalen om samen naar school te wandelen. Kreeg ik geen boterham dan functioneerde ik de gehele dag niet en vormde zich in mij de volgende angst om straks na schooltijd thuis te komen en te moeten ervaren dat er ook daar geen eten was. Zo heb ik eens mijn honger gestild door een heel potje bietenstroop op te eten die mijn moeder had gemaakt. Gelukkig namen mijn ouders het sportief op. Zeker omdat ik in de groei was had ik de meeste honger, meer dan mijn beide ouders. Ik was stervende, dat wist ik, maar toch had ik meer zorgen om mijn ouders dan om mijzelf. In zekere zin, hoe jong ik ook was, verheugde ik mij erop dat ik niet meer lang zou behoeven te lijden.

Hebben die angsten mij ook later parten gespeeld? Ja absoluut. Dat is nog eens duidelijk geworden toen ik in 2004 een diabetes burnout had en in een diepe depressie ben opgenomen op de PAAZ in Vlissingen. Mensen die er voor doorgeleerd hadden wisten mij te vertellen dat één en ander – die burnout en de depressie – mede waren veroorzaakt door opgekropte en niet verwerkte emoties en angsten uit het verleden. De bevrijding kwam als een enorme opluchting.

Ik herinner mij de versieringen met oranjeblikken aan elke deur. Deze blikken waren afkomstig van de droppings uitgevoerd door geallieerde vliegtuigen. Nadat het voedsel uit de blikken was gehaald had men de blikken oranje geverfd en deed men er oranje bloemetjes in. Waar die zo snel allemaal vandaan kwamen weet ik niet. Wat was dat een vrolijk gezicht na zo veel donkere jaren. Er stond een groot podium in de straat ter hoogte van de waterstoker. Waar de artiesten zo gauw vandaan kwamen weet ik ook niet maar ze waren er. Zo ontpopten gewone buren zich ineens tot ware artiesten. Iedereen was verkleed. Ik als boertje op klompen. Er werd gedanst en er werden veel spelletjes gedaan, zoals zaklopen en koekhappen. Mede door het eten van de droppings was ik er snel bovenop. Mijn moeder heeft langer geleden.

Ik heb natuurlijk  nog iets meegekregen van de afrekening die direct op de bevrijding volgde en daarmee doel ik op de wijze waarop de NSB’ers werden behandeld?’ Ik heb gezien hoe ook bij ons in de straat meiden, die meer dan gewone contacten hadden gehad met Duitsers werden opgepakt en door een menigte werden kaal geschoren, van een hakenkruis op hun kale hoofd werden voorzien en werden uitgejouwd. NSB’ers werden uit hun huis gesleept, door relatief jonge mannen, die opeens een blauw uniform in de vorm van een overall droegen en van wapens waren voorzien. Mijn vader was hier in zekere zin kwaad over. Hij zei: ‘In de oorlog hebben wij ze geen verzet zien plegen en nu opeens werpen zij zich op als redders van de natie.’ Bij dit alles had ik een dubbel gevoel. Enerzijds was ik natuurlijk met anderen blij om de bevrijding, genoot ik van de taferelen van binnenmarcherende geallieerde troepen, maar anderzijds voltrok er in mijn familie een drama. Immers mijn oma, tante – de tweelingzuster van mijn moeder - mijn twee nichtjes en neefje, waar ik in de Persijnstraat op nummer 10 veel mee speelde, werden ook gearresteerd en naar kampen gebracht. Gedenkwaardig is dat ik ook speelde met jongens die naast mijn neefje woonden op nummer 12. Het waren de gebroeders Kwaaitaal, die ik in 1967 opnieuw ontmoette als klant van de onderneming waarvoor ik toen werkte. Ik zal daar later nog wel eens over vertellen bij de beschrijving van mijn carrière.

Mijn ouders wisten niet waar mijn familieleden naar toe waren gebracht en zijn ze ook een tijd spoorloos geweest. Dat heeft eventjes geduurd. Mijn vader wist wel te achterhalen, waar de meubels, die ook direct uit het huis waren gehaald, naar toe waren gebracht. Als het ware om de hoek van de Persijnstraat, op de Heemraadsingel, waren de meubels in een statig pand gebracht waar een commandant van de Canadese troepen zich had gevestigd. Mijn vader moest toevallig voor zijn werk bij die commandant zijn, als voortvloeisel uit het verzet en ontdekte toen dat het gehele huis was ingericht met de meubelen van mijn oom en tante. Je begrijpt dat geen stukje van de inboedel van mijn oom, tante en oma ooit meer is teruggekomen. Alles was geconfisqueerd. Dat wil zeggen tot Staats eigendom was geworden. Wat de Duitsers met de bezittingen van de Joden hadden gedaan, werd nu gedaan door zogenaamd eerzame burgers.

Eerst is mijn tante en grootmoeder lange tijd bij ons in huis geweest. Ik moest daarvoor mijn kamer opofferen en moest in het vervolg in de woonkamer slapen, op een opklapbed. Dit viel niet mee. Mijn vader was, als hij thuis was, een late slaper. Daarbij rookte hij ook nog als een schoorsteen, hetgeen mijn gezondheid niet erg ten goede kwam. Ik heb slechts heel vervelende herinneringen uit die tijd, waarin het veelal tot ruzies kwam tussen mijn grootmoeder, tante en vader en moeder.

Mijn tante heeft op een gegeven moment een andere huisvesting gevonden, overigens nog steeds zonder haar kinderen, die in een heropvoedinggesticht, verbleven. Dit gesticht was overigens slechts een oude school ergens in Rotterdam-Zuid. Mijn oma is jarenlang in huis gebleven totdat mijn vader een kelderruimte voor haar kon huren in dezelfde straat, waar wij woonden. Eerst in een kelder waarin zij een keer wakker schrok omdat er een rat op haar borst liep en later in een andere kelderruimte waar het wat beter toeven was. Ik bezocht haar wel elke dag, in tegenstelling tot mijn ouders, die in zekere zin van mening waren dat zij de omstandigheden aan zichzelf te danken hadden.

Omdat mijn oma kennelijk niet onbemiddeld uit de strijd was gekomen stopte zij mij nog al eens wat toe. Kleding en schoeisel bijvoorbeeld en wat ik mij ook nog goed kan herinneren dat zij biefstuk voor mij bakte zoals mijn moeder dat niet klaar kon maken.

Het heeft jaren geduurd voor het gezin Dijkers er weer bovenop kwam. Er werd ongeveer vier jaar na de oorlog door hen een bovenwoning betrokken in de Gerard Scholtenstraat. Mijn oom nam zijn oude vak weer op, in het aannemersbedrijf van zijn vader en broer, hij was stukadoor geweest. Dit vak had hij gedurende de oorlog op de ambachtschool gedoceerd als leerkracht. Ik ging vaak op zondagmiddag naar mijn oom en tante. Mijn oom liet dan door zijn oudste dochter Jopie ijs halen, iets wat ik niet veel kreeg van mijn vader en moeder. Het was ook meestal op zondag dat ik dan met mijn neefje Gerard op zolder allerlei speelgoed, zoals auto’s, schepen etc maakten. Of wel mijn neefje maakte het en ik verleende hand en spandiensten. Gerard was veel handiger in knutselen dan ik. Meestal liep ik naar ze, vanuit de Snellinckstraat, pas veel later kreeg ik ook een fiets. Maar toen was ik al twaalf. Ik liep er ongeveer anderhalf uur over en met de fiets nog geen half uur. Ik heb prettige herinneringen aan die zondagmiddagen.

Mijn schooltijd was voor mij nu niet direct iets waar ik vreugde aan beleefde. Pas in de zesde klas bij de heer De Gast was het wat draaglijker en kwam ik tot de ontdekking dat, als je goed je best deed en je je niet liet wegdrukken door je klasgenoten, je iets kon opbouwen, waar je later iets aan zou kunnen hebben.  Vanuit mijn herinnering ben ik pas in de zesde klas van de lagere school wat mondiger geworden.

Inmiddels was ik in die klas populair geworden en steeds meer in trek bij de meisjes. Ik blonk in twee dingen uit. Tijdens de pauzes, die de leerlingen meestal doorbrachten op het schoolplein vóór de H.B.S. op de ‘s-Gravendijkwal, naast de lagere school waar ik toen nog op zat, bleek uit onderlinge wedstrijdjes, dat ik het hardst kon lopen van allemaal en het sterkst was in de riddergevechten, waarbij ik zittend op de schouder van een andere stevige leerling(het paard), de tegenstander die op gelijke wijze aan het gevecht deelnam, moest zorgen van zijn drager(paard) te trekken.

In diezelfde klas kreeg ik voor het eerst gymnastiek. Ik moest daarvoor wel ver lopen, naar een ander schoolgebouw in de Gaffelstraat. Ik verheugde mij altijd  erg op de dag van gymnastiek - waarbij ik uitblonk in touw- en paalklimmen en balspelen – en omdat ik dan dat meisje weer zou zien, die altijd uit het raam hing, vlak bij het gymnastieklokaal, als ik met de klas langskwam, en dan naar mij zwaaide. Weken, maanden, wellicht een jaar lang. Een meisje dat nadat ik haar voor het eerst had gezien, nimmer meer uit mijn gedachten is verdwenen. Mijn gehele leven niet meer. Het was een mooi meisje. Anders dan die meisjes op de eigen school. Ik heb haar echter nooit aangesproken. Daarvoor was ik te verlegen. Het feit dat ik nooit met haar in gesprek ben gekomen bleek een niet meer goed te maken fout te zijn geweest. Zou ik wel met haar gesproken hebben dan zou zij waarschijnlijk niet slechts in mijn geheugen zijn gebleven. Later in de jaren zestig heb ik haar teruggezien op een grasveld aan de Westzeedijk. Gedurende lunchtijd werd dit grasveld gebruikt door kantoormedewerkers. Zij was in gezelschap van een jongen met een scooter. Een Vespa. Ik was er met mijn toenmalige verloofde, Hannie. Ik herkende haar en zij mij, na tien jaar. Wij groetten elkaar wat verlegen en zonder dat de wederzijdse partners het konden zien. Nog deed het mij veel toen ik haar zag en was geweldig jaloers op die partner van haar. Want, je kon zien dat zij meer dan gewoon vrienden waren. Onbereikbaar voor mij dus. Zeker omdat hij een scooter had. Een gemiste kans. Het leek wel of mijn leven van jongs af aan is bepaald door onbereikbare liefdes. Want ik wist dat ik verliefd op haar was geweest, immers ik droomde vaak van haar. Ook toen ik al lang met Hannie verkering had en later verloofd was. Steeds moest ik er aan denken, nu al meer dan zestig jaar, hoe het zou zijn geweest, als het iets was geworden tussen ons.

Natuurlijk was het geen echte liefde, want daarvoor kende ik haar niet goed genoeg en was ik te jong. Maar waarom speelde zij dan toch steeds door mijn gedachten en wat had God daarmee voor? Al eerder heb ik verteld dat ik in God was gaan geloven omdat hij en hij alleen, volgens mij, mijn vader, moeder en mij in de oorlog heeft beschermd. Moest ik onbewust de verkeerde keuze maken door niet dieper in haar leven te treden? Vrienden had ik ook, maar meden mij, toen steeds meer duidelijk werd dat meisjes in het bijzonder zich tot mij aangetrokken voelden. Jaloezie moet hierbij aan de basis hebben gestaan. Deze omstandigheden bleken ook verder in mijn leven een grote rol te gaan spelen. Dat wist ik natuurlijk toen nog niet.

Een ander meisje van school, Toos, dochter van een antiekhandelaar, met een winkel in de bocht van de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam, heeft mij jaren achterna gelopen; tot in mijn tienertijd. Zij vond dat zij verkering met mij had. Het is uitgegaan  in de tijd dat zij mij ’s avonds van de avondschool(hbs) kwam halen en wij ruzie kregen over wat wij in de toekomst in ons huwelijk zouden gaan kopen; een lits-jumeaux of twee aparte eenpersoonsbedden. Ik meende mij te herinneren dat ik voorstander was voor twee bedden, zij voor een lits-jumeaux. Toos en ik bleken niet op één lijn te zitten. Daarom is het uitgegaan. Ik  heb haar nog teruggezien in de jaren zeventig, toen zij, met man en kinderen, enige huizen verderop van mijn ouderlijk huis, in de Joost van Geelstraat, was komen wonen en altijd kwaad naar mij keek als wij elkaar zagen. Kennelijk heeft het haar veel gedaan dat zij mij nooit heeft gekregen. Toch moet zij slechts twaalf of dertien jaar zijn geweest toen ik haar leerde kennen en er slechts sprake moet zijn geweest van een kalverenliefde.

Het moet ongeveer tijdens mijn twaalfde jaar zijn geweest dat ik logeerde bij mijn oma in Middelburg , die toen in de Spanjaardstraat woonde. In datzelfde huis woonde ook Sarie Houweling. Met haar heb ik daarna een lange briefwisseling gehad. Het is nooit verder gekomen, toch heb ik tientallen jaren naar haar gezocht maar helaas niet gevonden.

 Ik voelde mij thuis alleen met als gevolg dat ik erg veel buiten in de straat of op het land van Hoboken speelde, waar later het Erasmus ziekenhuis is verrezen. Van mijn dertiende tot aan mijn vijftiende jaar ging ik ook wel met een heleboel vriendjes naar de Oude Plantage om te spelen. Er waren daar veel bosjes waar wij cowboytje konden spelen. Geïnspireerd door de Amerikaanse films die wij direct na de oorlog in de diverse buurthuizen konden zien. Onze filmhelden waren bijvoorbeeld Roy Rodgers, Franky Lane en anderen. De films die mij uit die tijd het meeste zijn bijgebleven waren: “De Donderruiters” en “De Vlam en de Pijl.” 

Ik denk nog wel eens terug aan de tijd op de middelbare school. Aan de meisjes die ik daarvan kende. Zouden zij nog wel eens aan mij denken? Zou het zo gaan als bij mij dat door welke oorzaak dan ook, er ineens één te binnen schiet. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het meisje tijdens een sportdag van school. Nog zie ik haar zitten, in een iets te groot sportbroekje, aan de rand van de sintelbaan, uit de zon onder de tribune. Waarschijnlijk was het broekje van een van haar broers of zusters, als ze die tenminste heeft gehad. Gek, ik heb nooit met haar gesproken. Slechts onze ogen hadden elkaar gekruist,  maar van beide kanten was duidelijk dat wij meer wilden, maar niet durfden. Wij zaten niet bij elkaar in de klas en dan was er toch altijd enige afstand, temeer omdat je klasgenoten er van uit gingen, dat je alleen maar aandacht had voor hen. Ik nam mij voor  toch eens contact met haar te zoeken, een volgende keer. Altijd een volgende keer, altijd maar weer uitstellen, omdat dat de spanning van het moment wegnam. Gek; meer dan een halve eeuw later denk ik terug aan dat meisje. Haar ogen en dat broekje kan ik maar niet vergeten. Haar mooie ogen heeft zij erfelijk meegekregen, dat broekje was de zeer waarschijnlijke oorzaak van het feit dat haar ouders, zoals de meeste ouders in die tijd, niet lang na de Tweede Wereldoorlog, het niet al te breed hadden. Zij leeft waarschijnlijk nog en toch zal zij nooit beseffen dat er iemand is,  die meer dan zestig jaar later aan haar ogen en haar broekje denkt. Ik zou haar graag ontmoeten om dat te vertellen, maar zou niet weten hoe ik haar moest bereiken. Ik ken haar niet bij naam en zal haar nooit kunnen vinden. Had ik maar tijdens mijn schooltijd niet de verkeerde keuze gemaakt om haar niet aan te spreken. Wie weet hoe het dan vergaan was. Zo kan ik maar geen afstand nemen van herinneringen die mij dierbaar zijn.

 Eén moment kan je gehele leven bepalen. Ik was er al vroeg achter, dat wilde je indruk maken op de andere sekse, je er goed uit moest zien. Dat is geen verschil met de dierenwereld. Maar voor een meisje in een te grote sportbroek is dat moeilijk. Haar broekje werd echter gecompenseerd door haar prachtige ogen. Die broek, ja, je weet wel, zo’n broek die ook Fanny Blankers-Koen droeg, toen ze vier gouden medailles won tijdens de Olympische spelen in Londen.. Was dat mode of was dat nog door de Calvinistische inslag bij ons volk. Je moest wel hard kunnen lopen, maar je mocht niet sexy zijn. Wat een verschil met nu. Ze lopen tegenwoordig bijna in hun blote kont. Niet dat ik  dat erg vind. want van mijn jeugd  af aan, zag ik liever een schaars gekleed meisje dan een goed geklede jongen. Gezond toch? 

Ik herinner mij ook dat ik in een bus stond met op een kleine afstand een jonge non. Onze ogen vonden elkaar en bleven op elkaar gericht. Wij durfden elkaar niet aan te spreken, Zij moest er eerder uit en zag hoe zij huilde terwijl ze maar in mijn ogen bleef kijken. Wat zou er van haar zijn geworden? Leeft zij nog ergens op deze aardebol? Het was liefde op het eerste gezicht. Ik weet het zeker. Nu nog na meer dan zestig jaar moet ik regelmatig aan haar denken en komen de tranen spontaan. Ik houd nog steeds van mijn kleine nonnetje.

Mijn gedachten keerden weer terug naar mijn lagere schooltijd. Toen er soms wel drie of meer meisjes van de benedenschool waren – alwaar uitsluitend meisjes op zaten – de jongens zaten op de Jonge Heren school boven – die er letterlijk om vochten, wie mij naar huis mocht begeleiden of mij van huis mocht halen. Er waren toen al meerdere meisjes die er over spraken met mij verkering te hebben. Zo noemden ze dat niet. Zij noemden dat: “ik ben op hem” Niet wetende waarschijnlijk wat dat inhield. Het was toen al voor mij moeilijk om keuzes te maken. Op de lagere school en vooral in de zesde klas van de toen nog uit zes jaren bestaande Lagere School, had ik dus veel vriendinnetjes. Ik werd bijna dagelijks door wisselende meisjes opgewacht op de hoek van de ‘s Gravendijkwal en de Snellinckstraat, waar ik toen woonde, om mij te vergezellen naar de school op de ’s Gravendijkwal, de Jonge Herenschool, niet te verwarren met een lid dat men ook wel jonge heer noemt. Nee, het was een school met allemaal jongens uit keurige gezinnen, zo uit de middenlaag en van hogere burgers. Niet dat op de school uitsluitend jongens zaten, nee, de jongens zaten keurig gescheiden, op de bovenste verdieping en de meisjes beneden. Zeer strategisch dus, want zodoende behoefden de meisjes niet de trap op te lopen om door de jongens onder hun rokjes te worden gekeken. Meisjes droegen toen nog geen lange broeken. Wellicht dat daarom er een grotere aantrekkingskracht tussen de jongens en de meisjes was. Immers wat van ver komt en niet binnen bereik ligt, komt spannend over. In de jeugdige discussies hadden de jongens het over die van beneden en de meisjes spraken over die van boven.

Ik denk ook vaak na over mijn  middelbare schooltijd en de vriendschap die ik daar ontmoette. Dat vervult mij nog met een plezierig gevoel. Mijn beste vriend was Piet van den Berg, waarmede ik elke zaterdag ging stappen. Dat stappen beperkte zich tot lange wandelingen door het centrum van Rotterdam en een bezoek aan het café-restaurant op de Wester Kruiskade, de Gastronoom. Daar in de vorm van een noodgebouw neergezet direct na de oorlog, met een tijdelijk karakter. Hier speelde het orkest van Jacky Bulterman. Een nooit te vergeten orkestleider, want hij had nog een echte bult ook en was zo klein dat hij een kistje op zijn stoel werd gezet om bij de piano te kunnen. Maar de muziek was goed bij een flesje Perl (appelsap) of een andere smaak van Hero. Meesters in het vervaardigen van frisdranken.

Op dezelfde Middelbare school had ik nog een  goede vriend en wel Herman Burky, waarmee ik vooral op de zondag lange fietstochten maakte. Helaas zijn alle vriendschappen verloren gegaan toen ik serieuze omgang ging krijgen met Hannie Oosthout. Dat was in mijn zeventiende levensjaar.

Met Piet heb ik vele prettige momenten beleefd. Ik mocht op alle familiefeestjes komen, waar en dat zal de lezer vreemd in de oren klinken, ik de gangmaker was bij het zingen van liedjes, het maken van grappen, alsmede de inzet tot de polonaise. Piets moeder had een melkzaak en Piet moest daar vooral op zaterdag meewerken. Reden dat ik meestal pas laat in de middag naar de winkel ging om Piet op te halen. Een vader had Piet niet, of hij was overleden of op een andere manier uit zijn leven was vertrokken, is mij nooit duidelijk geworden. Gek, daar sprak je gewoon niet over. Wel was er altijd een oom in huis. Toen begreep ik nog niet in welke verhouding hij tot Piets moeder stond. In ieder geval was het bij Piet altijd gezellig.

Ik deed, naast voetballen, ook andere sporten. Ik speelde waterpolo in de Rotterdamse Zwem en Polo Club. Ik herinner mij de wedstrijden die wij speelden in een van de Rotterdamse grachten, achter het stadhuis. Omdat ik een redelijk goede zwemmer was heb ik ook buiten mededinging – omdat ik  mij te laat had aangemeld – mee aan de wedstrijd Breskens – Vlissingen. Ook begon ik aan Jiu Jitsu en Judo. Ik heb in sport nooit de top kunnen bereiken. Al rond mijn twaalfde jaar had ik bij inspanning last van blauwzweem rond mijn mond en kin, wijzende, bleek later, op een hartafwijking.

Omdat ik voor mijn leeftijd tot aan mijn zeventiende jaar aan de kleine kant was en de meeste meisjes al flink uit de kluiten waren gewassen had ik toch niet zoveel contact met meisjes op de middelbare school, als andere schoolgenoten. Er is wel een voorval in mijn middelbare schooltijd waaraan ik nog vaak terugdenk. Het meest begeerlijke meisje van de school was Lies Bolier. Niet alleen aanbeden door alle jongens, maar ook door de leerkrachten waarvan zij wonderwel altijd heel goede cijfers kreeg. Lies was om duistere reden veel ouder dan de andere leerlingen. Zij moet toen ongeveer achttien of negentien jaar zijn geweest.

Iedereen wist dat zij serieuze verkering had met een machinist die voer op het weerschip Cyris. Lies vond echter mij ook wel aantrekkelijk en vroeg mij regelmatig bij haar thuis te komen om samen huiswerk te maken. Later besefte ik dat zij ook andere bedoelingen had maar het initiatief aan mij overliet. Ik had echter nog geen serieuze sexuele contacten gehad. Angst om de gevolgen die ik niet kon definiëren weerhielden mij er nog van initiatieven in die richting te doen.

Op een vrije donderdagmiddag hadden, Lies en Gerda en ik afgesproken te zullen gaan zwemmen bij Pier 7 in de Waalhaven, waar ik meer kwam. Al zonnende kwam het gesprek op de daad en Lies zei dat zij best eens zou willen voelen hoe het bij een man voelt als hij de daad bedrijft. Kennelijk omdat ik daar niet adequaat op reageerde ontblote zij één van haar borsten met de kennelijke bedoeling mij te verleiden. Lies was uit op een trio, want ook Gerda nam wat initiatieven. Dit was ook de eerste keer dat mij een condoom getoond werd. Overmand door angst bij mij is het toch niet zo ver gekomen. Achteraf gezien was dit weer wellicht een verkeerde keuze van mij, want ik heb mijn gehele leven geworsteld met de gedachte hoe het zou zijn geweest als ik op die avances zou zijn ingegaan. Lies had mij een heleboel kunnen leren wat ik nu zelf moest gaan ontdekken. Ik herinnerde mij ook nog Riet Geluk, die mij heeft getracht te verleiden op school, toen wij even alleen waren. Ook toen heb ik het af laten weten omdat ik geen ervaring had en bang was voor de gevolgen, wat die ook mochten zijn.  

Uiteindelijk is het pas tot de eerste daad gekomen met Hannie, waarmee ik van mijn zeventiende tot mijn vijf- en twintigste jaar verkering heb gehad en daarvan vier jaar verloofd ben geweest. Ik besefte toen goed wat ik al jaren had gemist.

Ik geloof dat dit te maken had met mijn faalangst. Ik kon slecht tegen mijn verlies. Had een hekel aan slechte cijfers en was angstig of bang voor elke nieuwe situatie die ik niet zelf in de hand had. Ik moest het initiatief in het vervolg zelf zien te nemen, stelde ik toen al vast. Ik wist echter nog niet hoe. Was ik altijd ongelukkig door die faalangst?

Natuurlijk was niemand in de pubertijd erg gelukkig, zeker niet in de eerste jaren na de oorlog. Maar ik had wel leuke vriendjes en vriendinnetjes. Ik werd niet genegeerd en werd meestal overal in betrokken.

Met de ervaringen die ik had opgedaan in oorlogstijd zal het oppakken van een normaal leven mij toch wel enigszins moeilijk zijn vergaan. Ik weet wel dat er niets nieuws aan mijn leven werd toegevoegd dat een grote rol in mijn opvoeding zou gaan spelen.

Een absoluut hoogtepunt na de oorlog was voor mij het mogen en kunnen leren fietsen op de fiets van mijn vriendje Wim Fassotte.

Ik was zeer sociaal. Nam het vaak op voor de zwakkeren op school. Ik was sportief. Kon leuk voetballen en goed zwemmen en vooral zeer hard lopen. Wat betreft het voetballen moet ik dit vertellen. Ik denk er wel eens aan als ik naar voetballende jeugd kijk in ontwikkelingslanden. Gedurende de oorlogsjaren en vlak daarna waren er geen ballen beschikbaar. Wij maakten een bal door een prop papier te maken die strak werd omwonden met touw. Zo’n bal ging  in het gunstigste geval een half uur mee, dan moesten wij weer een nieuwe bal maken of putten uit de reeds aangelegde voorraad. Ik weet niet meer in welk jaar na de oorlog maar opeens was één van mijn vrienden, Jan van de Berg, in het bezit van een tennisbal. Een reuze vooruitgang om mee te voetballen. Wel ontstond er toen een bijkomend probleem. Er sneuvelde door die bal menige ruit in de straat. Reden waarom de ‘juut’ , zo noemden wij een politieagent in Rotterdam, als hij de straat inkwam, de bal afnam, die wij later op het politiebureau konden afhalen, tezamen met een waarschuwing en standje. 

Het voetballen werd steeds populairder en zowaar kwam er door het zelfde vriendje die ik net genoemd heb een lederen bal in de straat. Met deze bal kon natuurlijk niet meer in de straat gevoetbald worden en daarom verhuisden wij die activiteit naar het Land van Hoboken. Voetballen deden wij dagelijks en daardoor hadden de meeste jongens uit de straat aardig wat techniek opgebouwd. Zo rond mij twaalfde jaar ging ik voetballen in Feyenoord C4, terwijl de meeste vriendjes van mij gingen spelen in Neptunus of Sparta. Toen al wilde ik mij onderscheiden van de anderen, kennelijk.

De verenigingen Neptunus en Sparta waren dichter bij de straat waar wij woonden. Ik moest helemaal op de fiets naar de Dordtse Straatweg, waar de oude velden van Feyenoord waren gelegen. Ik speelde natuurlijk tegen Sparta, Neptunus in Rotterdam en SVV en Hermes DWS in Schiedam en vele andere ploegen in en rondom Rotterdam. 

Het feit dat ik steeds zo ver moest fietsen en mijn vader en moeder geen enkele belangstelling toonden voor mijn vorderingen op voetbalgebied – nee altijd klaagden als ik met vuile voetbalschoenen en kleding thuiskwam – hebben de lol in het voetballen verziekt. Ik heb daarom maar een paar jaar in verenigingsverband gevoetbald, tot in A1. Verder deed ik het maar met school en op het land van Hoboken.

Hoewel ik wist dat ik er wel enig talent voor had ondervond ik thuis geen enkele stimulans of medegevoel voor waar ik mee bezig was. Mijn vader hamerde er dagelijks op dat ik op school mijn best moest doen en zette mij veelvuldig aan het werk, waardoor ik regelmatig trainingen niet kon volgen.

Zo kon ik uren lopen achter een hoepel en werd nooit moe. Als ik toen op atletiek zou zijn gegaan zou ik zeker geen slecht figuur heb geslagen. Maar ja, nogmaals, ik had zeker geen ouders die mij stimuleerden. Jammer! En langzamerhand wezen trainers mij op het ontstaan van blauwzweem bij grote inspanning.

Toch heb ik maar kort voordeel gehad uit het feit dat ik snel kon lopen. Ik werd meestal wel als eerste gekozen door mijn kornuiten om mee te doen in welk spel dan ook, maar ik heb  eigenlijk in mijn latere leeftijd daar niets meer aan gehad. De sport die ik het langst heb beoefend was judo en lange afstandsfietsen en daar had ik niets aan het feit dat ik hard kon lopen.

Bij alle sportieve activiteiten, zowel in de straat, als op het voetbalveld of op school bleek dat ik harder kon lopen dan de meeste anderen. Bij het voetballen, diefje met verlos, puttenloop, wie niet weg is wordt gezien, liep ik zo hard dat niemand van mijn leeftijd of iets ouder mij bij kon houden. Dit viel een ieder op en er werden zelfs wedstrijden georganiseerd door mijn vriendjes. Die zochten dan een andere jongen op waarvan zij hadden vastgesteld dat die ook hard kon lopen. Er werden dan weddenschappen op afgesloten. Ik weet nog dat ik een keer moest lopen tegen een jongen, Muis geheten,  op school,  waarvan werd gedacht dat hij harder zou kunnen lopen dan ik. Op het plein voor de HBS aan de ’s Gravendijkwal werd een parcours uitgezet en de hele school kwam kijken. Ook de meisjes van de school beneden. Raad eens wie won! Ik.

Zo werd er ook een wedstrijd georganiseerd door jongens en meisjes uit mijn straat. Er was pas een jongen komen wonen die uit Indonesië kwam, zijn naam was Wim Vos,  en waarvan men had vastgesteld dat hij ongelooflijk hard kon lopen. Het was Wim die boven de bakkerij in de Snellinckstraat woonde. Wij togen naar het land van Hoboken, vergezeld van veel jongens en meisjes uit de straat, maar ook waren er veel ouders bij – natuurlijk niet mijn vader of moeder – die het spektakel wel eens wilden meemaken. En raad weer eens! Ik won, al was het maar met een gering verschil.’

In judo heb ik het gebracht tot de zwarte band, 1e dan. Ik heb die band op techniek bereikt. Ik was niet geschikt om wedstrijden te doen om nog verder te komen. Ik heb op zekere leeftijd  last gekregen van kortademigheid. Ik heb de sport wel tot ver in de dertig beoefend. Met veel plezier. Ik kan het een ieder het aanraden. Vooral voor je zelfvertrouwen is het een goede sport.

Hoogtepunten in mijn leven tot mijn zeventiende jaar waren: een fietstocht met mijn vader, op mijn twaalfde jaar, van Rotterdam naar Middelburg, met een stop in Bergen op Zoom, bij een zuster van mijn vader, tante Annie. Diverse logeerpartijen bij mijn tante Mien en oom Jan in St. Annaland, bij mijn tante Annie  en oom  Chris, eerst in St. Maartensdijk en later in Halsteren bij Bergen op Zoom, en niet te vergeten bij mijn grootmoeder en grootvader, tante Sjaan en tante Corrie en oom Jan te Middelburg. Ik beschouwde mijn tante Annie als mijn tweede moeder. Schaamteloos is het dat mijn ex-vrouw M. niet de moeite heeft genomen haar rouwkaart door te sturen aan mijn adres, zodat ik geen respect heb kunnen tonen en niet op haar begrafenis ben geweest, hetgeen mijn neven en nichten, waar ik altijd een goede band mee had, mij kwalijk hebben genomen en ik hen nu al jaren niet meer zie. De zoveelste blunder van deze Koreaanse vrouw.

Op mijn dertiende jaar reisde ik per fiets,  in mijn ééntje, in één dag van Rotterdam naar Middelburg, zo'n 135 km in die tijd.

Ook vond ik het een geweldige opfrisser in mijn leven als er familieleden uit Zeeland bij ons in Rotterdam kwamen logeren.