Mijn verkeerde keuzes

Pioniersfase van levenscyclus (0 - 20 jaar) (1937 - 1957)

Met Hannie had ik acht jaar verkering, van 17 tot en met mijn 25e levensjaar..

 

 

Hoofdstuk 6 Boek 1 

Ik heb al laten weten dat mijn ouders het niet altijd eens waren met de dingen die ik deed en/of graag wilde doen. In zo’n situatie ga je je verzetten tegen het gezag en tegen de adviezen van je ouders. Hoewel ik de capaciteit had om naar de H.B.S. te gaan, koos ik voor de Ambachtschool en wel die op de Beukelsdijk te Rotterdam.. Achteraf gezien alleen om mijn vader te pesten. Omdat ik reeds jong altijd aan het spelen was met batterijen, draadjes en lampjes, koos ik voor het vak elektricien. En? Ben ik dat geworden?

Nee, gelukkig niet, kan ik nu zeggen. Reeds na een half jaar kwam ik er achter dat ik de theorielessen veel aantrekkelijker vond dan de praktijklessen. Voor de praktijk miste ik toch enige vaardigheden. Zo was ik geen kei in vlakvijlen, wat je eindeloos moest doen om moeren en bouten te maken. Stom, dacht ik, wie gaat er nu zijn eigen bouten en moeren maken. Die koop je toch gewoon. Anderen, dat zag ik wel, waren daarin veel handiger. En het ging natuurlijk niet om die bouten en moeren, maar om de vaardigheid vijlen. 

Ik had dus weer een verkeerde keuze gemaakt. Ik denk dat mijn vorderingen mede achterbleven omdat mijn moeder in die periode, ik was toen twaalf jaar, ernstig ziek werd en ik veelvuldig naar het ziekenhuis moest in de bijna zekerheid dat mijn moeder er niet meer uit zou komen. Ik hield veel van haar en kon mij een leven niet voorstellen zonder haar. Mede daardoor geloof ik dat ik aan mijn leven een andere draai wilde geven, hoewel ik pas twaalf jaar was. Ik heb toen aan mijn vader gevraagd mij alsnog in te schrijven voor een middelbare school. Hiermede ging ik in op zijn eerdere wens en troostte hem als zodanig voor het dreigende verlies van zijn vrouw en mijn moeder. Omdat ik dit precies in het midden van het schooljaar vroeg, was er maar één school in de omgeving die geen normaal schooljaar kende, maar een half schooljaar. Ik kon daar op 1 februari beginnen in de aanvang van de eerste klas. Het was een zogenaamde Handels MULO.

Ik werd op die school erg gelukkig, kan ik wel zeggen. De stof die op die school behandeld werd en bijzonder praktijk gericht was, had al snel mijn interesse en sloot aan op de uiteindelijke doelen die ik mijzelf heimelijk al had gesteld. Namelijk eens onafhankelijk te worden. Wij hadden bijvoorbeeld op die school naast de vakken, die vooral op de handel waren gericht, ook steno en typen, handig als je eens op een kantoor zou gaan werken. Ik weet nog dat vóór het examen er veel scheepvaartkantoren waren die leerlingen probeerden te strikken. Er zijn er ook veel bij dat soort kantoren gaan werken, zoals bij de V.N.S., Wambersie, H.A.L. etc.’

Omdat de meeste vakken mijn interesse hadden en ik begreep wat ik er later mee zou kunnen gaan doen behoorde ik altijd tot de besten van de klas en slaagde drie jaar later als beste, met de hoogste cijfers. Ik ontving als prijs een boek met de mededeling over die score. Helaas is dat boek door mijn latere scheidingen(Je zou toch zeggen wat moet zo'n vrouw er toch mee?) (Puur pestgedrag.) verloren gegaan. Mijn cijferlijst heb ik nog wel, waarop voor rekenen een 10 stond. Dit laatste zou mij later geen windeieren leggen, zoals is gebleken. Ik was goed in leren, had weinig vrienden op school, maar met enkelen heb ik toch een jarenlange vriendschap opgebouwd.

Nu  het zo goed  op school was gegaan vond ik het natuurlijk jammer dat ik destijds het advies van mijn vader niet had opgevolgd om naar de H.B.S. te gaan. Verder wilde ik graag het huis uit omdat ik het gevoel had dat er voor mij geen plaats was. Zeker omdat mijn grootmoeder nog inwoonde.

Ik ga nog even terug naar de periode van mijn twaalfde tot mijn zestiende jaar. Was dit een gelukkige tijd voor mij. In zekere zin wel. Ik genoot van mijn schooljaren. Wat zijn nu echt mijn gelukzaligste momenten geweest in die periode? Wel één feit is zeker het verkrijgen van mijn Fyenoordshirt. Ik voetbalde vanaf mij twaalfde in C 4 van Fyenoord. Ik begon zoals zo velen te spelen in een wit shirt met zwarte broek. Hoewel mijn moeder een echt shirt voor mij besteld had,  moest ik, met vele anderen, daar zeker een half jaar op wachten. En toen wij bericht ontvingen van de winkel in Rotterdam Zuid dat ik het shirt af kon komen halen was dit zeker tot die tijd het gelukkigste moment in mijn leven. Als ik er nu nog aan terugdenk krijg ik nog kippevel en wens mij nog elke dag zo'n moment in mijn leven te voelen. Ik was toen echt heel gelukkig, mede omdat het hebben van zo'n shirt in mijn woonomgeving, het Oude Westen, veel jalouzie opwekte. Het geluk werd zeker veroorzaakt door het feit dat je er zo lang op moest wachten. Hier hebben wij gelijk een reden waarom de jeugd van tegenwoordig zulke momenten niet kan voorstellen, laat staan beleven. Als ze het nu willen hebben gaan ze naar de winkel en kopen het gewoon. Het geluk duurt dan vaak maar enkele uren en zijn ze weer op zoek naar het volgende geluksmoment. Echt gelukkig, zoals ik toen beleefde heeft de jeugd zeker nooit. Na dit niet onbelangrijke zijsprongetje weer verder met mijn verhaal.

Ik besloot mijzelf in te schrijven voor de militaire kaderschool te Weert om onderofficier in het leger te worden. Via avondstudies wilde ik dan alsnog mijn H.B.S. halen om later toegelaten te worden tot de Koninklijke Militaire Academie om officier te worden. Een eerste aanwijzing dat ik naar macht streefde en niet door iedereen gestuurd wilde worden. Ik onderging vele keuringen, zowel te Rotterdam als in het Oog en Al ziekenhuis te Utrecht.

Ik werd afgekeurd wegens een hartafwijking. Een tegenslag die mij veel heeft gedaan en veel voor mij heeft betekend. Ik moest nu ongewild een andere keuze maken. Vanzelfsprekend heb ik mij, mede op aandringen van mijn ouders, verder laten onderzoeken.

Ik ben direct via de huisarts naar een hartspecialist gegaan, Dr. Erkelens. Deze stelde vast – na diverse proeven – dat er een gaatje zat in de wand tussen de twee hartkamers. Waardoor het zuurstofarme bloed direct in aanraking kwam met het zuurstofrijke bloed zonder de circulatie door het gehele lichaam te maken. Hij stelde voor dit te opereren. Dat was een hele stap in die tijd. Na overleg met mijn ouders stemde ik er mee in. Er volgende weer een onderzoek en toen bleek dat men het gaatje niet meer kon vinden. De operatie werd afgeblazen en ik ging weer over tot de orde van de dag. Omdat mijn moeder ook een ernstige hartafwijking had besefte ik wel dat één en ander nog wel een staartje zou krijgen, hetgeen later ook is gebleken. Of ik heb gepuberd weet ik niet. Dat woord ben ik overigens in mijn jongenstijd nooit tegengekomen. Ik toonde wel opstandig gedrag. Seks was thuis een onbesproken item.

Op mijn twaalfde leerde ik tijdens een logeerpartij bij mijn grootouders in Middelburg Sarie Houweling kennen. Daarmede had ik, zo ver ik mij kan herinneren, de eerste click, na mijn lagere schooltijd. Na afloop van de vakantie hebben wij een tijdje gecorrespondeerd maar verder is het niet gekomen. Sarie kwam uit Vlissingen en woonde tijdelijk, direct na de oorlog, in hetzelfde huis als mijn grootouders, te weten Spanjaardstraat 42 te Middelburg. Ik denk dat haar ouderlijk huis in Vlissingen was gebombardeerd.

Mijn eerste serieus los-vaste vriendinnetje ontmoette ik voor het eerst toen ik in de etalage keek van een winkel op de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam, naast een slager die gevestigd was op de hoek van de Claes de Vrieselaan. Zij maakte de etalage op van een lingeriezaak en toen onze blikken elkaar raakten was het ook goed raak. Zij kwam naar buiten en vroeg naar mijn naam. Het was een kort gesprekje maar de toon was gezet. 

Regelmatig gingen wij uit wandelen, in de weekenden, samen met een vriendin van haar. Na enige weken liet echter diezelfde vriendin weten dat de verkering uit was omdat ik sexueel nog geen activiteit bij haar vriendin had ingezet. Dat klopte. Ik was toen net 16 jaar. Ik wilde wel maar ik durfde niet tot het geheel te gaan, omdat mijn moeder mij altijd voorhield als ik de deur uitging: “Doe ook vandaag geen dingen waarvan je later spijt kan krijgen’. Kans gemist. Verkeerde keuze.

Mijn eerste echte vaste vriendinnetje ontmoette ik in de tijd dat ik bij het Gemeente Energie Bedrijf in Rotterdam werkte. Ik was de jongste op de afdeling maar kon het bijzonder goed vinden met de oudere collega’s. Wij gingen zelfs samen uit. Mijn collega’s vonden het leuk om met mij uit te gaan omdat de groep dan door mij werd aangetrokken door leuke meisjes. Ik herinner mij ook nog een bezoek aan de nachtclub Wiener Grinzing in de wijk Blijdorp. In tegenstelling tot mijn collega’s was ik alleen. Toen de wijn rijkelijk had gevloeid werd ik door enkele vrouwen van die collega’s uitgedaagd ze te kussen. Ik deed dat en gebruikte ruimschoots mijn tong, hetgeen verwondering en hilariteit opwekte. Zij wisten nu, of wel zij dachten, dat ik zelfs meer ervaring had op dat gebied dan zij. Kennelijk was ik op dat gebied een natuurtalent. Het was even daarna dat ik op de hoek tegenover het G.E.B. gebouw een meisje ontmoette en direct met haar een afspraak maakte om een wandeling te gaan maken. Zij vertelde P****i T**w te zijn ( ja die P****i T**w die later een groot actrice is geworden) en met haar ouders schip, de Nooitgedacht,  in de Coolhaven bleek te liggen. Vanaf het moment dat onze ogen elkaar vonden was ik smoorverliefd op haar. Ik voelde dat zij anders was dan andere meisjes. Meer inhoud, meer ervaring, meer verwachte initiatieven. Ik maakte een lange wandeling met haar via de Nieuwe Binnenweg naar de Coolsingel en belandde uiteindelijk in een nis,  achter het stadhuis, om elkaars prille liefde te tonen. Ik was direct kapot van haar, zeker toen zij tijdens het scharrelpartijtje tegen mij zei: ‘Houd me eens wat steviger vast en druk je eens wat steviger tegen me aan, want ik voel je niet.’ Ook zij drukte vooral haar onderlichaam tegen mijn lichaam, met als direct gevolg dat er iets groeide, waar zij wel weg mee wist. Omdat zij de volgende dag al weer met haar ouders vertrok kon er geen afspraak verder gemaakt worden. Het ging van haar kant zo van, ik zie je wel weer. Zij had gekregen wat zij verlangde en verder basta. Maar ik was er kapot van en heb alles in het werk gesteld haar toch weer terug te vinden. Zonder resultaat. Ik ben wel aan haar blijven denken. Mijn gehele leven.

Gelukkig vond ik al snel  een ander meisje, zodat ik P****i snel kon vergeten. Hoewel vergeten heb ik haar nooit en als ik een stuk zag waarin zij later als gevierde actrice schitterde, moest ik toch altijd weer terugdenken aan die heerlijke uren met haar.

Reeds tijdens het laatste jaar van mijn  schooltijd kreeg ik enkele aanbiedingen van diverse bedrijven om daar te komen werken, maar mijn vader vond het beter eerst eens te gaan werken in overheidsdienst, dat wil zeggen voor de Gemeente Rotterdam. Hoewel ik van mening was of liever gezegd, gehoord had, dat het werken in die tijd voor de overheid betekende: vaste arbeid, vaste armoede, heb ik toch mijn vaders advies opgevolgd. Mijn vader had, mede gezien de crisisjaren, meer oog voor vastigheid in een betrekking.

Mijn vader werkte daar ook op de elfde verdieping van het Gemeentelijk Energie Bedrijf aan de Rochussenstraat op de afdeling Kanalisatie. Hoewel hij direct na de oorlog een functie kreeg als machinist bij de elektrische centrales, respectievelijk aan de Schiehaven en de Keilehaven, werd hij niet lang daarna aangesteld op de afdeling Kanalisatie, als tekenaar, tijdens zijn werk op de centrales was  zijn bijzondere handschrift opgevallen en tekeningen in zijn rapporten. 

Ik kwam terecht op de afdeling Statistiek, op de zevende verdieping. Het was toen al dat ik ging terugkijken op mijn ontstaan en plannen ging maken voor de toekomst. In ieder geval had ik bij mijzelf leiderschap ontdekt en besloot niet mijn hele leven voor anderen te blijven werken. Zo jong als ik was kwam ik regelmatig met aanbevelingen om de werkzaamheden op de afdeling te verbeteren. Veel van de taken op die afdeling voerde ik zelf uit. Al gauw kreeg ik een jongste bediende toegewezen die ik de eenvoudige taken liet uitvoeren. Dit werkte en ik besloot toen al dat ik later anderen voor mij zou laten werken, omdat ik al gauw gezien had dat leiders een prettiger manier van uitvoerende taken hadden dan de doeners. Ik had in de maatschappij vastgesteld dat je pas belangrijk bent als je anderen voor je laat werken. Het werk dat ik op die afdeling statistiek moest doen was niet onaardig en vereiste enige zelfstandigheid. Elke morgen moest ik alle binnenkomende post rubriceren, ik was daarvoor iedere morgen een half uur eerder dan mijn collega’s, en zorgde dat deze post bij de juiste mensen terecht kwam. De binnengekomen tijdschriften deed ik in een map en liet deze circuleren, voornamelijk langs de ingenieurs van het G.E.B. Daarvoor deed ik eens per week de ronde voor het ophalen van gelezen tijdschriften en het brengen van de nieuwe. Eens per week moest ik ook naar het stadhuis waar ik de cijfers over het weer moest noteren, die dan op de afdeling werden verwerkt in rapporten. In feite was de opdracht: het bijhouden van alle oorzaken tot fluctuaties in het energiegebruik. Zo kon men een link leggen tussen het weer en het verbruik door de consumenten. Verder lazen ik en mijn directe chef Dolf Scheele alle tijdschriften en kopieerden artikelen, die op onderwerp werden gerubriceerd in een kaartsysteem, dat met de hand werd ingevuld.  Als een ingenieur dan iets wilde weten over een bepaald wetenschappelijk onderwerp, konden wij via het kaartsysteem alle relevante artikelen vinden en verstrekken ter lezing.  Het maken van kopieën was ook mijn werk. Dit gebeurde in een donkere kamer, waar een foto werd genomen. Het negatief ging in de ontwikkelaar en later in de fixeer, waarna zij te drogen werden gehangen. Ik behoefde mij niet te vervelen. Eens heb ik alle aanwezige boeken – en dat waren er duizenden – in mijn eentje gerubriceerd en strategisch opgeslagen in de bibliotheek, waarvan mijn voorgangers een puinhoop hadden gemaakt.

Men had met het plaatsen van mij op de afdeling statistiek goed ingeschat dat ik iets met cijfers, rijen, kolommen en grafieken had. Ik heb ze later nog veel toegepast.

Ik ergerde mij wel kapot aan de luiheid en inefficiëntie van mijn collega’s en vooral aan mijn afdelingschef Pols, die ik nog nooit echt heb zien werken en die voortdurend met zijn verhalen de werknemers van hun werk afhield. Ook kon ik niet begrijpen dat mensen zo ver konden komen dat als de directeur van het G.E.B. in zijn door een Gemeente chauffeur gereden limousine voor het kantoor aankwam rijden, de portiers uit hun ‘slaapruimte’ kwamen, op de auto afholden en het portier voor de directeur openhielden. Kontenlikkerij in de hevigste mate. Wel, veel waardering had ik niet voor die directeur, die toen ik het rode licht boven zijn kantoordeur onopzettelijk negeerde, naar binnen stapte en tegen  zijn blote kont aankeek, omdat hij zijn secretaresse net een beurt gaf. Ik heb er toen over gezwegen. Vanaf die tijd hield hij altijd voor mij netjes de deur van de speciale directielift open. Een lift waarvan je normaal als gewoon werknemer geen gebruik  mocht maken.

Een jaar heb ik het er uitgehouden. Toch heb ik er met plezier gewerkt. Ik herinner mij vele leuke momenten. Op één van de afdelingen zat een zeer aantrekkelijke juffrouw, die plus minus 10 jaar ouder was dan ik, dus ongeveer 27 jaar jong. Mode was het in die tijd (1954) om bh’s te dragen met van die punten er in. Zij had enorme punten en het gesprek door het gebouw en vooral in de kantine ging over het feit of die tieten nu echt of onecht waren. Ik zei toen al: als je iets niet weet moet je er naar vragen of vaststellen hoe het zit. Vragen zijn er om beantwoord te worden. Ik stelde dus voor dat iemand er een keer in moest knijpen en toen bleek dat niemand dat durfde heb ik dat zelf maar gedaan en melding gemaakt van het feit dat ze echt waren. Discussies gesloten. Ik ben nooit daarvoor op het matje geroepen. Zij heeft het mij niet kwalijk genomen, denk ik. Hoewel het tegenwoordig als aanranding zou kunnen worden beschouwd. Ik ondervond dat ik meestal meer kon doen dan anderen. En, als ik toevallig eens samen met haar, zonder anderen, in de lift stond, ging zij wel heel dicht tegen mij aanstaan. Ik heb steeds die toenadering genegeerd, met als voornaamste reden dat ik nog niet goed wist wat ik allemaal met een vrouw kon doen en zeker niet met een oudere. Kans wellicht gemist, verkeerde keuze!

In datzelfde jaar dat ik bij het G.E.B. werkte ontmoette ik een meisje uit Nijmegen, die haar hondje uitliet op de Mathenesserlaan. Wij werden tot elkaar aangetrokken en enkele keren hebben wij samen wat gewandeld totdat zij mij vroeg naar haar kamer te komen in een pension aan  diezelfde  Mathenesserlaan, omdat zij zich even wilde verkleden. Zij verkleedde zich in de hoek van de kamer en vroeg mij niet te kijken. Ik denk dat het een proef van haar was. In ieder geval  keek ik niet en liet als zodanig zeer waarschijnlijk wederom de kans lopen op een mooie vrijpartij, waarvan ik nog niet goed wist hoe die er uit zou kunnen zien.  Kans gemist, verkeerde keuze.   Hoewel, ik had al weer een ander meisje op het oog.

Ook ik vind het nu opvallend dat ik het steeds over meisjes heb. Kennelijk speelden die toch een zeer belangrijke rol in mijn ontwikkeling, Met vrienden speelde ik alle in die tijd op straat voorkomende spellen. Niets bijzonders, maar droegen ook bij tot de lichamelijke ontwikkeling. Je was nooit moe en kon uren hard lopen. Daar moet je nu eens mee aankomen bij de jeugd.

Op de hoek van de Schermlaan en de Claes-de-Vrieselaan woonde een dominee. Het was mij opgevallen dat er vaak een meisje in de deuropening stond als ik voorbij kwam. Het was duidelijk dat zij met mij kennis wilde maken maar het heeft even geduurd voordat ik daar op inging. Wij raakten toch een keer aan de praat en mocht tijdens dat gesprek, waarbij zij zich zeer uitdagend opstelde,  mijn hand langs haar been omhoog laten glijden. Zij vond het heerlijk en ik ook. De volgende dag zou ze gaan verhuizen naar Ede, waar haar vader als dominee was aangesteld, zodat er van een vervolg geen sprake kon zijn. Kans gemist, verkeerde keuze.

Met een ander meisje had ik meer geluk. Ook zij stond altijd voor het raam als ik langskwam. Ik lokte haar naar buiten met een glimlach waarvan men nu vaak tegen mij zegt dat die zeldzaam bij mij voorkomt.  Bij de tweede of derde keer van onze ontmoeting, schoten wij een portiek in. Het bleek dat zij al lang een oogje op mij had maar mij niet durfde aan te spreken. In het portiek begreep ik goed wat het betekent als een meisje gek op je is. Zij droeg echter een bril en daar viel ik uiteindelijk niet  op. Bang voor een verkeerde keuze.

De laatste drie besproken meisjes ontmoette ik op mijn weg van het G.E.B. aan de Rochussenstraat naar de woning van mijn ouders in de Joost van Geelstraat.

Was ik, zo lijkt het wel, steeds op zoek naar een meisje. Nee, zij kwamen aangewaaid, ik behoefde er niets voor te doen. En zo is het altijd gebleven, vaak tot mijn spijt. 

Ik heb mij er altijd over verwonderd dat de meeste initiatieven, in mijn beleving en gedurende mijn korte of iets langere relaties, uitgingen van de meisjes. Het waren altijd de jongens die slechte bedoelingen hadden, zo werd algemeen aangenomen, terwijl de meisjes, mede omdat zij vroeger rijp zijn dan jongens, sneller  op hun doel afgingen.

Het is daarom dat ik later heb durven beweren dat er evenveel vrouwen vreemdgaan als mannen. Logisch want bij elke vreemdgaande man is een vrouw betrokken. In mijn ervaring zou ik bijna durven stellen dat er meer vrouwen vreemdgaan dan mannen. Zij zijn in het algemeen wat terughoudender in het openbaar maken van hun affaires. En mannen gaan er vaak prat op hun veroveringen wereldkundig te maken als zou dat wijzen op een verhoogde potentie. Wel ik heb er nooit over gepocht. Ik hield het altijd voor mijzelf en praatte er niet over tegen vrienden.

IJdel als ik ben heb ik mij wel altijd afgevraagd waarom ik kennelijk zo in de smaak viel bij meisjes en later vrouwen. Wat deed ik ervoor?

Eigenlijk niet veel. Wel zorgde ik er voor dat ik altijd tip top gekleed ging en mijn uiterlijk uiterst verzorgd was. Dit waren wel zaken waarin ik gesteund werd door mijn vader en moeder, die er ook altijd netjes uitzagen. Mijn moeder noch mijn vader zijn ooit het  huis uitgegaan zonder hoed, om maar een voorbeeld te noemen.

Was ik een jager? Absoluut niet. Hoe het exact kwam weet ik niet maar soms had ik het idee – en ik weet dat klinkt pedant – dat ik ze als vliegen van me af moest slaan.

Overdrijf ik nu niet een beetje?

Ik beschouwde mijzelf toch als introvert, schuchter, wat verlegen en leed aan een minderwaardigheidscomplex, waar ik mijn gehele leven aan moest blijven werken.

Op mijn veroveringen ben ik nooit trots geweest en ik heb vaak gedacht: was het me maar niet overkomen, omdat ik er veel personen mee heb gekwetst. Nee als ik echt trots mag zijn op wat ik gedaan heb, ben ik het op mijn carrière, niet op mijn veroveringen. 

De vluchtige relaties die ik had met genoemde meisjes waren kennelijk omdat ik latent toch zoekende was. Wat of wie ik zocht weet ik niet, maar het moest wel iets bijzonders zijn.

Voor mijn toekomstige carrière had ik reeds vastgesteld dat ik niet zo zou worden als die portiers bij het G.E.B., die voortgang en wellicht opgang in hun loopbaan wilden verkrijgen door hielenlikken en ellebogenwerk. Hoe gering mijn positie ook was, ik was slechts een aankomend schrijver, zo werd mijn functie toen genoemd, ik voelde mij al meer verwant met die directeur waarvoor de deur werd opengedaan. Misschien is die blote kont van diezelfde directeur er wel de oorzaak van dat ik ging denken: het is ook maar een mens. Dus wat hij kan, kan ik ook, maar dan wel ordentelijk. Ik begon een dure smaak te krijgen en ontwikkelde mij als een perfectionist. Daarom moest ook de vrouw die ik zou krijgen de mooiste zijn die er bestond. Het Gemeente Energie Bedrijf heeft mij overigens het beste gegeven in mijn leven.

Mijn drang naar een zekere luxe is eigenlijk begonnen toen ik twaalf oud jaar was. De winkels die mij het meest aantrokken waren juweliers en dan met name die een grote collectie horloges in de etalages hadden. Minuten kon ik dan stilstaan voor zo’n etalage en zocht dan voor mij het mooiste horloge uit. Op weg naar school kwam ik dagelijks langs die juweliers en keek dan in de etalage of dat bijzondere horloge er nog lag. Ik was dan blij als ik het vond, maar begreep niet dat nog niemand het had gekocht, terwijl het toch de mooiste was. Bijna met tranen in mijn ogen moest ik mijzelf bekennen niet blij te zijn geweest met het horloge dat ik op mijn twaalfde jaar van mijn grootmoeder ontving. Het was het horloge van mijn grootvader, die kort ervoor was overleden. Ik was de oudste kleinzoon en mijn oma vond dan ook dat ik het horloge waard was. Een hanghorloge. Maar mijn horloge, het mooiste horloge was toch die ik in de winkel had gezien. Toen ik slaagde voor mijn middelbare school kreeg ik van mijn vader mijn eerste armbandhorloge, dat ik zelf mocht uitzoeken, tezamen met een vulpenset, dat ik nog steeds gebruik en koester.  Het was een Prisma horloge dat leek op het horloge dat ik vijf jaar daarvoor in de etalage had gezien. Ik beschrijf dit voorval omdat het wel iets zegt over mijn karakter.

Gedurende mijn gehele leven heb ik vrijwel nimmer een impuls gehad om iets te kopen. Altijd ging aan elke koop een langdurig proces vooraf waarin ik met veel energie en zorg datgene uitzocht wat geheel aan mijn niet geringe wensen voldeed. Het mooiste was voor mij niet goed genoeg. Wetende dat dit een obsessie van mij was wist ik reeds vroeg dat ik moest zorgen goed te gaan verdienen, omdat ik geen genoegen zou kunnen nemen met eenvoudige en toch ook mooie kleding, schoeisel, juwelen, auto’s etc.

Begrijp mij niet verkeerd. Ik was op een andere manier ongelooflijk blij met dat horloge van mijn grootvader, omdat ik veel van hem heb gehouden en trots was dat ik als oudste kleinkind dat horloge kreeg. Nog kan ik woedend worden als ik bedenk dat dat horloge verloren is gegaan door een scheiding, waarbij, met andere zaken die ik in mijn leven met grote zorgvuldigheid had gekozen en gekocht, mijn exen alles van mij hebben afgenomen en niets aan mij hebben gelaten.

Geen van de meisjes die ik tot nu toe had gekend voldeed aan mijn echte smaak. Het is niet terecht, maar ik moet eerlijk bekennen dat ik zowel meisjes als jongens beoordeelde op hoe ze er uit zagen en niet hoe ze zich uitten. Ik keek meer naar hun uiterlijk dan naar het innerlijke. De buitenkant was voor mij belangrijker dan de binnenkant. Dat is enigszins terug te voeren naar dat eerste horloge.

Reeds eerder heb ik verteld dat het  G.E.B. mij het beste heeft gebracht wat ik als jongeman kon wensen. Ik moet dan eerst vertellen dat ik niet zo veel waarde hecht aan toeval, maar meer ben ingesteld op de voorzienigheid en de kracht van de wil om iets te bereiken of te verkrijgen. Hoewel niet alles wat je wenst ook verkregen wordt. Ik heb bijvoorbeeld in mijn vroegste jeugd altijd gedroomd eens een bokkenwagen te zullen krijgen, of een nieuwe fiets of een nieuwe step. Geen van die zaken heb ik van mijn ouders gekregen. Ik heb voor alles wat ik wilde hebben zelf hard moeten werken. Zo werd die bokkenwagen, die fiets en die step uiteindelijk een mooie zeer dure Mercedes. Ik maakte het mijzelf niet gemakkelijk. Ook een vrouw zou er uit moeten zien als een Mercedes.

 Ja, terugkomend op die voorzienigheid. Ik weet niet meer op welke leeftijd ik ben gaan inzien dat toeval niet bestaat maar ik kreeg al vroeg het gevoel dat ik geleid zou worden door God. Ik kan het niet verklaren maar diep in mij was dat een onuitwisbare overtuiging, die niet gevoed was door mijn opvoeding. Integendeel mijn ouders hadden niets met God.  Dat God mij geleid moet hebben, daarvoor zal ik later in mijn verhaal met vrijwel zekere bewijzen komen. In ieder geval was mijn ontmoeting met Hannie een Godsgeschenk. Ik was vóór deze ontmoeting de weg een beetje kwijt en ging dan weer met dat meisje en dan weer met een ander meisje uit, tot en met P****i T**w, die later iedereen in Nederland zou kennen als een gevierde actrice.

 En toen gebeurde het. Op mijn afdeling werkten geen meisjes of vrouwen. Ik moest voor mijn werk een keer wat extern doen, op het stadhuis. Toen ik terug kwam zat er tegenover mij, aan een voordien altijd leeg bureau,  een meisje. En wat voor meisje. Een meisje die ik in mijn dromen wel eens had gezien. Een zeer knap gezicht, schitterende donkerblonde lange haren, een prachtig lijf en zij droeg kleren die ik uitgekozen zou kunnen hebben. Zij was volmaakt. Ik was gewoon van de kaart en hoe ik het op heb kunnen brengen weet ik niet, maar ik maakte een contact met haar en verkreeg een relatie die acht jaar in stand zou blijven. Ik was op slag echt verliefd en wist ook direct dat dit de vrouw was waarmee ik oud zou willen worden en kinderen van zou willen hebben. Ik was toch nog maar zeventien. Helaas en tot mijn grote spijt is er buiten mijn wll een einde gekomen aan onze relatie. Ik heb het er tot op de dag van vandaag nog moeilijk mee. Na al die jaren houd ik nog van haar.

En zo ben ik ook later altijd gebleven, als ik een serieuze relatie heb, kijk ik niet meer naar andere meisjes of vrouwen. Dat heb ik ook niet meer gedaan in die acht jaren. Ik besteedde ook geen aandacht meer aan de diverse meisjes werkzaam op de diverse afdelingen, waarmee ik voordat ik Hannie ontmoette regelmatig wel een gesprek mee had of mee uitging. Het resulteerde eens in het feit dat ik door mijn vader naar de elfde verdieping werd geroepen – hij werkte op die etage. Rond mijn vaders bureau stond een vijftal meisjes, die allemaal claimden dat zij verkering met mij hadden en bezwaar maakten dat ineens Hannie aan mij was verschenen en zij geen aandacht meer van mij kregen, hoewel ik ze allemaal nog wel groette. Hannie werd er bij geroepen en ik moest op dat moment een keuze maken – nu en voor altijd, zei mijn vader - en Hannie moest dat ook, terwijl ik niet zeker wist of zij wel op mij was gevallen. Ik koos toen voor haar en gelukkig zij voor mij. Ik had toen het mooiste meisje van de honderden die er werkten. En dat was zeker niet alleen mijn mening.

Hannie Oosthout, nodigde mij al snel na onze ontmoeting uit op haar verjaardag. Zij was twee jaar ouder dan ik. Mede om kennis te maken met haar ouders. Hannie had net zo als ik, geen broers of zusters. Op slag werd ik verliefd op haar ouders die zo anders waren dan mijn ouders. Zo ging ik met haar ouders elke zondag ergens koffie drinken in Rotterdam of Den Haag, op een terras of bij familie. Ik werd direct opgenomen in de familie, die grotendeels bestond uit gestudeerde of laat ik liever zeggen hoog opgeleide mensen. Ik voelde mij in alle opzichten direct thuis in die omgeving en ontving veel steun van alle familieleden. De vader van Hannie en een broer van haar moeder, de heer prof. v.d. Berg, hoogleraar aan de Wageningse universiteit, wilden dat ik direct verder ging studeren op hun kosten.

Ik heb er wel eens over nagedacht hoe het kwam dat ik zo snel werd geaccepteerd. Wel, ik zag er erg goed uit, al zeg ik het zelf, ik sprak toevallig in die tijd met dezelfde aardappel in mijn keel als zij. Ik droeg altijd handschoenen, een hoed en een paraplu waarmede ik paradeerde, lopen kon je het niet noemen. Ik vertelde wat ik wilde bereiken en dat ik daar veel energie voor over had.

Verder denk ik dat veel leden van Hannie’s familie zich zorgen maakte over haar. Zij was op haar twaalfde met haar ouders uit Indonesië gekomen, waar ze samen met haar moeder jarenlang in een Jappenkamp verbleef. Ze was niet direct contactarm maar maakte ook geen indruk dat zij het leven met veel blijdschap tegemoet zag. Haar vorderingen op school waren matig en ze had niet veel vrienden en vriendinnen op de M.U.L.O. Haar vader was een belangrijke planter geweest met veel personeel. Na terugkomst in Nederland had het gezin niets meer. Zij woonden in een zeer bescheiden flatje in Schiebroek, in de Dalkruidstraat, nummer 6a. Wat zij wel had, ze was bloedmooi. God wat was ik trots als ik met haar over straat liep en de mensen soms spontaan zeiden dat ze nimmer zo'n  mooi koppel hadden gezien.

Pas na mijn zeventigste ben ik er achter gekomen dat alles paste bij mijn persoonlijkheidsstoornis die ik toen al had. Ik had  narcistische trekjes. Nu zeg ik, gelukkig maar, want juist daarmede of misschien beter daardoor, heb ik veel bereikt.

Hannie deed niet onverdienstelijk aan ballet en verder hield zij er van naar muziek te luisteren. Andere hobby’s of sportactiviteiten waren er niet. Eigenlijk een saai meisje. Zij at geen vlees, dronk geen alcohol, rookte niet, had voor ballroomdansen – hetgeen ik deed – geen ritmegevoel en zo ontbraken er nog enige eigenschappen die je leven wat vrolijker kunnen maken. Ik nam dit allemaal op de koop toe want ik hield van haar met alles wat in mij was.

Zij drong mij niets op. Maar mijn eigen voornemen was haar een zorgeloze toekomst te bieden, samen oud te worden en te genieten van onze kinderen en kleinkinderen. Zo ver dacht ik al.

Ik wilde dit bereiken door hard te studeren aan de avond H.B.S. en hard te werken en omdat ik geen toekomst zag in overheidsdienst, gaf ik te kennen daar weg te willen en het bedrijfsleven in te gaan. Niet lang na dit voornemen werd ik vanuit mijn toenmalige netwerk door iemand gebeld die vroeg of ik bij de papierfabriek Van Gelder Zonen wilde komen werken op de afdeling verkoop, calculatie,  en facturering. Ik ben toen gaan praten met de toenmalige directeur Langendijk, door wie ik onmiddellijk werd aangenomen. Ik kreeg deze baan ongetwijfeld omdat op mijn exameneindlijst een 10 voor rekenen stond.

 Ik werd belast met de balieverkoop (vanwege mijn uiterlijk) – er kwamen veel detaillisten goederen halen - met de calculatie en facturering van de dagelijkse verkopen via de balie en via de vertegenwoordigers. Ik had daarbij de leiding over vier facturistes en een meisje voor de nacalculatie. Voor de calculatie en facturering had elke facturiste een prijzenboek, een schrijfmachine van het merk Olivetti, een mechanische rekenmachine van het merk Facit en een mechanische telmachine van het merk Olivetti. Ik moest toezien dat de juiste prijzen werden gehanteerd, foutloos werd gecalculeerd en foutloos werd gefactureerd. Ik rekende dus elke factuur, voor die de deur uit ging, na. De juffrouw van de nacalculatie verzamelde aan het eind van de dag alle gegevens en verzond die telefonisch naar het Hoofdkantoor te Amsterdam.

Ik heb heel goede herinneringen aan het werk en de collega’s. Vooral met de juffrouw van de nacalculatie had ik een goede band. Zij stond op trouwen met ene Brandenburg, die chauffeur was bij de Bijenkorf, één van mijn favoriete warenhuizen. S’ ochtends stond zij mij op te wachten op de Heemraadsingel ter hoogte van de Schermlaan, waarna wij gezamenlijk naar het kantoor aan de Coolhaven liepen en ’s avonds weer terug. Er was zelfs een wederzijdse genegenheid die iets verder ging dan alleen maar collega te zijn. Omdat wij echter beiden een  serieuze verkering hadden is er verder nooit iets uit voortgekomen, waarvan wij spijt zouden kunnen hebben gehad of waarmede wij onze partners in de liefde hadden kunnen bedriegen. Dus dit keer geen verkeerde keuze. Hoewel?

Ik moet wel vertellen dat ik moeite had met het management in de onderneming. De directeur, die mij dus had aangenomen was, van oude stempel. Goed gekleed weliswaar, maar arrogant in zijn optreden. Hij had een verhouding met zijn secretaresse. Een afschuwelijk lelijk wijf, met vuurrood haar, een in en in bleke huid en een kont die haar verbood te bukken, omdat iemand er anders een zadel op zou kunnen gooien. Zij deed alsof zij tot de directie behoorde. Hij tolereerde dat. Opvallend was dat zij ’s morgens met haar ‘lover’ tot ongeveer 10 uur in de directiekamer verbleef,  met de lamp op rood. Als dan de deur openging en die twee betraden de ruimte waar wij werkzaam waren en waarin zij twee bureaus naast elkaar hadden staan met hun gezicht naar de werknemers toe gericht, ging er een siddering door het lokaal. De twee chefs van het tweede echelon startten dan kwijlerig te zijn naar die twee. En hoewel het mij niets deed, heerste hier wel een  cultuur van naar boven likken en naar beneden trappen. De vertegenwoordigers moesten elke dag hun auto komen ophalen en ’s avonds weer inleveren. Je zou daar nu eens mee moeten aankomen.

Gelukkig kon ik Hannie elke dag zien want ik kon geen dag zonder haar. Het kantoor van die onderneming was hoogstens vijfhonderd meter verwijderd van het G.E.B. kantoor, zodat wij elkaar ook dagelijks tussen de middag konden ontmoeten. Ik was altijd blij als ik haar in mijn armen kon sluiten. Oh, wat was ik toch verliefd, alsof dit nooit meer zou overgaan.

Wij konden niet buiten elkaar. Toen Hannie ongeveer een half jaar nadat wij verkering hadden gekregen met haar ouders met vakantie ging naar Echternach was ik niet blij en nam het haar zelfs kwalijk dat zij meeging. De vakantie was echter al lang geleden besproken en betaald, zodat zij wel moest gaan.’

 Eenmaal per week moest Hannie ’s avonds naar de balletschool die gevestigd was op de Heemraadsingel, ongeveer 5 minuten lopen van mijn ouderlijk huis. Ik ging haar dan ophalen en bracht haar met de bus naar Schiebroek. Wij waren dan om ongeveer 10 uur ’s avonds thuis en ik nam dan de laatste bus terug om 00.30AM. Meestal waren de ouders dan al naar bed gegaan en hadden wij een paar uurtjes voor onszelf. Dit heb ik altijd  in haar ouders gewaardeerd. Zij lieten ons erg veel alleen en deden niet moeilijk over dingen die zouden kunnen gebeuren en ook wel gebeurde.

 In het weekend ging ik meestal in de namiddag van de zaterdag naar Hannie toe. At mee en gingen dan  om 07.00PM de deur uit om met de bus  naar Rotterdam te gaan, alwaar wij één van de vele bioscopen bezochten. Wij dronken dan na de bios een drankje in één van de gezellige café-restaurants rondom de Coolsingel, scharrelden wat in een portiek, bracht Hannie met de bus weer naar huis of als het al laat geworden was ging zij alleen huiswaarts. Overigens heb ik heel wat keren door het missen van de bus in Schiebroek teruggelopen naar huis, midden in de nacht. Het was dik twee uur lopen. Dat had ik allemaal voor haar over.

 Ik zou het zelfs op mijn knieën gedaan hebben. Ik kon mij niet voorstellen dat het ooit uit zou kunnen gaan, hoewel ik wel besefte dat ik veel meer inleverde dan er voor terugkreeg. Ik was vóórdat ik Hannie ontmoette een echte stapper. Ik kwam in café’s, bars, dancings, nachtclubs en restaurants. Ik verdiende goed en kon mij veel permitteren. Het grootste deel van die activiteiten moest ik opgeven, omdat Hannie er niet van hield. In het begin ging ik ook werkelijk nergens zonder haar heen. Zeker niet tot aan mijn militaire diensttijd. Ik trad toe tot de militaire dienst in 1956 lichting 6 in december.

 Overigens moet ik nog even vertellen dat aanvankelijk mijn eigen ouders niet van Hannie waren gecharmeerd. Na verloop van tijd gingen zij steeds meer tegen mij mopperen dat zij zo’n modepop was en mij voorhielden dat zij mij in de toekomst wel erg veel zou gaan kosten. Dat alles heeft bij nader inzien een nadelige uitwerking op de verkering gehad.

 In het tweede jaar van onze verkering – dus nog vóór ik in dienst ging zijn we naar Catolica gereisd in Italië. Niet alleen met Hannie, maar ook met haar moeder als chaperonne. Ondanks het feit dat zij er bij was heb ik vreselijk goede herinneringen aan die vakantie. Het was mijn eerste buitenlandse reis en maakte veel indruk op mij. Ik weet nog dat we met de trein zijn gegaan. Een geweldig mooie treinreis met de Bergland Express.  Omdat ik voorheen nog wel eens met wagenziekte te maken heb gehad had ik één of meerdere pilletjes ingenomen. Dat resulteerde dat ik weliswaar niet wagenziek werd, maar verschrikkelijk slaperig. Het was moeilijk om wakker te blijven. Af en toe het hoofd uit een raampje was het goede middel daartoe. In Catolica aangekomen werden de hotelkamers verdeeld onder het gezelschap. Hannie werd uiteraard ingedeeld bij haar moeder en ik bij een Delftse student. Het kostte wel wat improvisatie om toch af en toe met Hannie alleen te zijn. Gelukkig kon ik goede afspraken maken met die student. Had hij een meisje – en dat wisselde nog al eens – dan bleef ik weg van de kamer in ruil voor momenten die ik samen met Hannie er kon doorbrengen. Vanuit Catolica maakten wij excursies naar Bologna, Padua, Venetië, Triest, San Marino. Deze steden maakten op mij een onvergetelijke indruk. Ik kan mij maar één ongemak herinneren. Ik was vreselijk verbrand door de zon, mijn vel stond strak en ik had zelfs moeite met de stap in de bus te maken. Veel blaren waren mijn deel. Deze hebben wel enkele dagen van die vakantie verknoeid.

 De volgende vakantie was weer naar Italië, maar nu naar Bibione, ook aan de Adriatische zee. Ik was net uit militaire dienst en inmiddels met Hannie verloofd. Een strandvakantie. Ditmaal samen. Omdat wij met de Christelijke Reisvereniging reisden was het onmogelijk om als niet getrouwd paar één kamer te delen. Het was zelfs zo dat Hannie in een ander hotel was ondergebracht dan ik. Overigens maar ongeveer honderd meter van elkaar. Met enige vindingrijkheid sliep ik toch regelmatig bij Hannie op haar kamer en we hadden het geweldig, hoewel ook toen al moest ik de initiatieven nemen en stelde Hannie zich altijd zeer passief op. Ik twijfelde er wel eens aan of ze wel plezier aan de seks beleefde. Als ik het vroeg zei ze ja, maar liet het tijdens het vrijen niet blijken. Soms twijfelde ik of ik met Hannie wel de juiste keuze had gemaakt. Ik hield echter nog steeds heel veel van haar en nam alles maar op de koop toe. Wij ontmoetten tijdens deze vakantie twee stellen uit Den Haag waar we veel mee optrokken. We zijn er na de vakantie nog eens op visite geweest. Één van de stellen had net een Dafje gekocht, waarmee ik ook even mocht rijden. Het was mijn eerste ervaring met een Dafje. Zoals het zo vaak gaat met mensen die je tijdens vakantie leert kennen is het bij één bezoek gebleven en hebben wij nooit meer iets van ze vernomen of zij niet van ons.

Tijdens deze vakantie ontstond mijn tweede Godservaring. Later noemde ik dat mijn eerste wonder waardoor ik echt in God ben gaan geloven. Toen al was ik zo dankbaar en zuinig op luxe goederen die ik had verkregen dat ik bang was dat ik iets er aan zou beschadigen.  In dit geval waren het de pas aangeschafte verlovingsringen. Vanwege de angst dat het scherpe zand krassen op de ringen zou veroorzaken, stelde ik Hannie voor om de ringen af te doen en te deponeren in een tas van de verrekijker. Zo voorgesteld zo gedaan. Wij hadden een heerlijke dag op het strand tezamen met de eerdergenoemde twee families uit Den Haag. Terwijl Hannie en ik op een waterfiets zaten kreeg een van onze kennissen  het idee om mijn verrekijker te gebruiken. Niet wetende dat daar ringen in zaten pakte hij onwetend  de verrekijker uit de tas, met als gevolg dat de ringen uit de tas vielen in het mulle zand. Teruggekomen van het varen en zwemmen en aan het einde van de dag pakte ik de tas met de verrekijker op, opende die tas en zocht naar de ringen. Wat ik zag, geen ringen. Al gauw besefte ik wat er gebeurd moest zijn. In paniek stuurde ik iedereen in de omgeving waar wij de dag hadden doorgebracht terug naar het hotel.

Door strepen te trekken in het zand bakende ik het strand af en zorgde dat niemand dat stukje strand van ongeveer twintig vierkante meters kon betreden. Met de rug van mijn hand schoof ik een laagje zand weg in de hoop de ringen aldus te vinden. Ik realiseerde mij dat het een schier onmogelijke taak was en een kansarme gelegenheid. Uren was ik daarmee bezig, onder de brandende zon en in het hete zand.

Waar het vandaan kwam weet ik niet en hoe het tot mij gekomen is weet ik ook niet, maar ineens kreeg ik als het ware de opdracht God om hulp te vragen. Ik knielde in gebed neer en vroeg hem niet voor mij maar voor Hannie te zorgen dat ik die ringen vond en te voorkomen dat Hannie mij die verkeerde keuze van opbergen zou verwijten. Het moet nog geen vijf minuten later zijn geweest en daar in  een kuiltje schitterden de twee ringen, die nog geen  centimeter van elkaar lagen.

Ik dankte God en beloofde hem in het vervolg meer aandacht aan mijn geloof te zullen besteden. En zo is het ook inderdaad verlopen. 

Voor mij was dat het moment om nog meer in God te gaan geloven, terwijl ik daarvoor nooit iets aan mijn geloof deed. Ja, ik was gedoopt, maar omdat mijn ouders er niets aan deden was ik ongelovig opgevoed. Ik stond nog wel ingeschreven bij de Nederlands Hervormde Kerk.

 Ik vraag mij nog nu nog wel eens af wat er in mij omging in de jaren na de tweede wereldoorlog. Wat waren mijn doelen? Waar stond ik voor? Had ik stevige plannen iets te bereiken en wat wilde ik bereiken?

 Ik weet het niet goed meer maar zeker is dat ik leefde in een wereldje waarin mijn ouders vrijwel geen rol speelden. Zo was ik gek op films. Amerikaanse films. Ik luisterde  graag naar mooie zangers. Eén van zangers was bijvoorbeeld Mario Lanza, Hij speelde in diverse films en was volgens mij één van de beste zangers op aarde, naast andere grote zangers in die tijd. Ik zong zelf ook graag maar er moest niemand bij zijn.

 Op school deed ik altijd erg mijn best en behoorde meestal tot de besten. Huiswerk werd door mij serieus gemaakt, zelfs op momenten dat mijn vriendjes voor de deur speelden, liet ik mij niet verleiden om met mijn werk op te houden. Later toen ik het erg goed had en mijn vrienden het een stuk minder hadden, bedacht ik wel eens dat dat was gekomen door het feit dat ik altijd wat meer aan mijn huiswerk besteedde dan zij. Ik wist nog niet precies wat ik wilde worden, maar wel had ik mij voorgenomen te zorgen in ieder geval boven de middenstand uit te komen.

Ik weet nog dat ik mijzelf inspireerde door mijzelf ook straffen te geven. Ik ging bijvoorbeeld alleen naar de bioscoop, op de dinsdag- of donderdagmiddag, ook wel zaterdag of zondagmiddag, als ik vrij was van school en ik het gevoel had mijn huiswerk goed te hebben gemaakt. Had ik bijvoorbeeld een keer een minder cijfer voor mijn werk dan strafte ik mijzelf door het voorgenomen bezoek aan een bepaalde film af te gelasten. Zo ging ik ook een week lang niet naar de bioscoop als ik met voetballen verloren had. Deze zelfdiscipline heb ik mijn gehele leven volgehouden totdat studeren of werken ophielden na mijn zeven- en zestigste jaar. Hoewel, ik pakte het later weer op en studeer nu nog op mijn tachtigste.

Ik kom daar later op terug. Mijn carrièregroei hield op in de maand december 1956, toen ik in militaire dienst moest. Nog steeds niet goed genoeg om beroepsmilitair te worden, maar voor kanonnenvlees in de dienstplicht was ik goed genoeg.

Tot juli 1958 heb ik de dienstplicht vervuld. In het onderdeel Verbindingstroepen ben ik op het destijds zo genoemde Ministerie van Oorlog te werk gesteld bij het K.T.T.B. in Scheveningen, waar ik contraspionage werkzaamheden verrichtte, waarover ik verder niets kan vertellen omdat ik onder ede heb moeten verklaren hierover altijd te zullen zwijgen