Hoofdstuk 20 boek 5(aftakelingsfase)

Onder constructie

20 Jaar, dat wil zeggen van 2017 tot 2037 is de fase waarin ik nu al een paar jaren leef. Het is ongetwijfeld de aftakelingsfase in mijn levenscyclus. Mijn gezondheid loopt hard achteruit en daardoor kan ik de dingen die ik deed niet meer doen. 

Waarin ik veel bevrediging vond was in het vrijwilligerswerk, zowel voor de Gemeente Middelburg, als voor Zorgstroom, alwaar ik een ruime tweekamerappartement van heb gehuurd. 

Hoewel ik nog wel in staat ben kleine dingen te doen, is door Corona alle enthousiasme weggenomen. In het eind van 2021 tob ik opnieuw met mijn gezondheid. 

Verder heb ik al jaren veel verdriet om het feit dat ik vier van mijn kinderen niet zie. Wat zij vinden dat ik hen heb aangedaan weet ik niet. In mijn herinnering ben ik altijd een goede vader geweest en heb ik ze niets misdaan.

Ten einde raad heb ik in deze website een oproep geplaatst voor  hereniging. Het is en blijft een hard gelag als je soms op de televisie ziet dat er kinderen zijn die op zoek zijn naar hun vader of moeder die ze nooit of bijna hebben gezien. Ze reizen daarvoor de gehele wereld over. Mijn kinderen wonen in Nederland. Ik ook. Toch zie ik slechts , gelukkig wekelijks, mijn middelste zoon. Twee dochters en twee zonen zie ik nooit.

Om vele redenen heb ik de auto weggedaan, waardoor mijn mobiliteit tot een minimum is gereduceerd. Ik zit nu in het protocol ter verkrijging van een scootmobiel en een rolstoel.

Verder heb ik elke een huishoudelijke hulp voor twee en een half uur. Daarmee houd ik mijn huishouding aardig bij. 

Wat mij het meeste treft is de eenzaamheid waarin ik verkeer. Slechts één kind die komt. Verder nagenoeg niemand. Het is  daarom dat ik meer met mijn komend verscheiden bezig ben  dan met mijn dagelijks leven.

Ook maak ik mij zorgen over mijn nalatendschap, die grotendeels is toegeeigend door mijn twee ex-echtgenoten. Vooral de laatste heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van goederen en afroming van geld. De laatste heeft geen van mijn persoonlijke goederen teruggegeven, zelfs niet dat wat ik voor het huwelijk al bezat en/of door mijn ondernemingen waren verworven, buiten het huwelijk om. Ik noem slechts een piano, maar ook kleding en vele andere persoonlijke bezittingen. Ik heb te maken gehad met een pure "gold-digger", een Koreaanse "gold-digger".

Natuurlijk gun ik Eduardus de piano, maar hij moet daarbij niet denken dat hij die van zijn moeder heeft verkregen. Ik heb het aankoopcontract van de piano, de factuur en het bewijs dat de piano door een onderneming van mij is gekocht en door die onderneming is betaald. Moeder heeft er niets over te zeggen.